Advertisement
Gregoriaanse Schola - 21 december 2008
Gregoriaanse Schola – 21 december 2008
Marlies Roelofs

Lezing uit het eerste boek Samuel: 1 Sam. 1: 1-20

Er was eens een man uit het bergland Efraïm, uit Ramataïm, die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, de zoon van van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, de Efratiet. Elkana had twee vrouwen; de ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna niet. Elkana ging elk jaar vanuit zijn stad Silo, om zich te buigen voor de Heer van de machten en Hem offers brengen. Als priesters van de Heer waren daar Chofni en Pinechas, twee zonen van Eli.
Toe Elkana zijn offer opdroeg, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel, maar Hanna gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel de Heer haar schoot gesloten hield. Haar mededingster echter bespotte en vernederde haar telkens weer, omdat de Heer haar schoot gesloten hield. Ieder jaar opnieuw, als Hanna naar het huis van de Heer ging, deed Peninna dat en bespotte Hanna; dan weende Hanna en wilde zij niet meer eten. En Elkana vroeg dan: “Hanna waarom ween je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?”
Op een keer ging Hanna, nadat ze in Silo gegeten en gedronken hadden, naar het heiligdom van de Heer. De priester Eli zat daar op een stoel bij de deurpost. Bitter bedroefd bad zij onder een stroom van tranen tot de Heer en legde deze gelofte af: “Heer van de machten, als U omziet naar de ellende van uw dienstmaagd en aan mij denkt; als U naar uw dienares omziet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn hele leven aan de Heer afstaan: geen scheermes zal over zijn hoofd gaan.” Toen Hanna zo lang tot de Heer bleef bidden, begon Eli op haar mond te letten. Omdat Hanna voor zichzelf sprak en haar lippen wel bewogen maar haar stem niet hoorbaar was, dacht Eli dat zij dronken was. Hij zei tegen haar: “Gedraag u toch niet langer als een dronken vrouw! Maar Hanna antwoordde: “U vergist zich, mijn heer, ik ben een vrouw die diep bedroefd is. Ik heb geen wijn of sterke drank gedronken, maar ik stort mijn hart uit bij de Heer. U moet uw dienares niet als een minderwaardige vrouw beschouwen; alleen uit overgrote zorg en droefheid heb ik zo gebeden. Toen antwoordde Eli: “Ga dan in vrede en ik hoop dat de God van Israël u geven zal wat u van Hem hebt afgesmeekt.” Zij antwoordde: “Ik hoop dat uw dienares genade zal vinden in uw ogen.” Toen ging de vrouw weg; zij at en haar gezicht klaarde op.
De volgende ochtend bogen zij voor de Heer en gingen terug naar Rama. Toen Elkana gemeenschap had met Hanna was de Heer haar indachtig. In de loop van het jaar werd Hanna zwanger en bracht zij een zoon ter wereld. Zij noemde hem Samuel, “want”, zei ze, “ik heb hem van de Heer afgesmeekt”.

Overweging

Het verhaal van Hanna gaat over de geboorte van een kind dat niet meer werd verwacht! Dat gebeurt vaker in de Bijbelse verhalen. De aartsmoeders Sara, Rebecca en Rachel waren aanvankelijk allen onvruchtbaar. En zij kregen door goddelijk ingrijpen uiteindelijk allemaal een kind dat niet meer werd verwacht. Zo ook Hanna. De Bijbel is echter geen biologieboek waarin, bij gebrek aan kennis toentertijd, de IVF methode vervangen wordt door een ingrijpen van God. Het gaat in deze verhalen om veel meer dan alleen het fysieke onvermogen om een kind te krijgen.

Historisch gezien speelt het verhaal van Hanna zich af op de scheidslijn tussen de tijd van de rechters en de tijd van de koningen. Deze tussentijd beslaat de periode van ongeveer 1150 tot 1025 voor Christus. De situatie is dan als volgt.
De 12 stammen zijn, na Egypte te zijn ontvlucht en na de tocht door de woestijn, Israël binnengetrokken; onderling vormen zij een soort bond maar van een algemeen erkend leiderschap is nog geen sprake. Een koning was er nog niet. Wel traden er af en toe in de afzonderlijke stammen charismatische figuren op die een tijdlang het voortouw namen, de zgn. richters of, zoals ze in de katholieke vertaling heten, rechters. Het waren mensen die rechte of juiste woorden spraken in verwarde of problematische situaties. Hun lotgevallen worden beschreven in het oudtestamentische boek Richteren of Rechters. Daarna volgen in het Oude Testament de boeken 1 en 2 Samuel. Daarin wordt de overgang beschreven van Israël als een stammenbond met rechters naar een monarchie. En Samuel is, zoals u hoorde, de naam van de zoon die Hanna uiteindelijk kreeg. De zoon die zij van de Heer heeft afgesmeekt. Hij zal een grote rol spelen in die overgangsperiode van rechters naar koningen. Samuel vraagt dan vooral aandacht voor God als koning en hij waarschuwt voor het machtsmisbruik van aardse koningen.

Die tussentijd is een verwarde tijd. Het volk is van God los en doet zo ongeveer alles wat Hij verboden heeft. Zelfs het huis van de Heer als plaats van bezinning en gebed functioneert niet meer. De priesters stelen het volk letterlijk het brood uit de mond en het volk verliest zijn respect voor het offer aan de Heer. Het verhaal van Hanna bevat een subtiele toespeling op deze wantoestand. U hoorde hoe de priester Eli bij het heiligdom van de Heer op een stoel bij de deurpost zat. Niet direct de plaats van de priester in het huis van de Heer. Deze priester als een soort suppoost tekent de verlamming en het disfunctioneren.

Te midden van deze verwarde en verdorde toestand begint Israël te vertellen. Over een vrouw ….die…zo graag een kind wilde…. maar onvruchtbaar was. Hoe pijnlijk openhartig een volk kan zijn!

Ten diepste gaat het verhaal van Hanna over het gebrek aan een hoopvol perspectief. Over het gebrek aan uitzicht, het gebrek aan een leefbare toekomst. Daarmee is het een verhaal van Hanna een verhaal van alle tijden. Ook onze tijd!
Het conflict tussen Israël en de Palestijnen, de strijd in Darfur, de ellende in het Zimbabwe van Mugabe, de strijd in Kongo, de oorlogen in Irak en Afghanistan. En te midden van deze verwarde en verdorde tijden klinkt opnieuw dat verhaal over een vrouw…. die….zo graag een kind wilde….maar onvruchtbaar was.
Het is een verhaal van alle tijden over het onvermogen van de mens om een leefbare toekomst mogelijk te maken.

Maar het is pas de helft van het verhaal. De andere helft gaat over Hanna die uiteindelijk wel een kind krijgt. Zoals Sara, Rebecca en Rachel uiteindelijk óók een kind krijgen. En zoals altijd in de Schrift komt bij een doodlopende weg God er aan te pas. Dat nieuwe leven is blijkbaar iets ván deze aarde en is tegelijkertijd niét van deze aarde. Het is aards: want het gebeurt in en áán mensen: het is de vrouw, de mens die baart. Anderzijds is het God die dit in gang zet: Hij opent de moederschoot. Hij maakt het nieuwe begin. In dit opzicht lopen deze verhalen parallel met dat van Jezus: ook zijn geboorte was een aards gebeuren maar goddelijk van oorsprong.
 
Evenals de aartsmoeders stelt Hanna zich open voor dat nieuwe begin. Zij begint om haar hart uit te storten bij God. Haar situatie is uitzichtloos: geen kind betekent geen toekomst. Alsof dat nog niet erg genoeg is, ontbreekt het haar ook nog aan troost en mededogen. Want de tweede vrouw van haar man Elkana maakt haar het leven zuur door ook nog eens zout in haar wonden te wrijven. Haar gesprek met God is zo intens dat de priester Eli denkt dat ze dronken is. Hanna lijkt zich al biddend te bevrijden van haar loodzware last. Het geeft haar in ieder geval lucht. Want, zo hoorden we, daarna at ze en klaarde haar gezicht op. Ze maakt in zichzelf ruimte door haar wrok en pijn aan de voeten van de Heer te leggen. Zo raakte Hanna leeg van zichzelf, en van al haar wensen en verlangens. Een dergelijk proces wordt in veel verhalen uit de Schrift beschreven. De talloze keren dat er in de geschiedenis sprake was van een hopeloze en uitzichtloze situatie wordt treffend gevangen in het beeld van de onvruchtbare vrouw. Dan lezen we over Sara die onvruchtbaar was; over Rebecca die onvruchtbaar was; over Rachel die onvruchtbaar was en Hanna en Elizabeth. De kracht van deze vrouwen moet zijn geweest dat zij leeg raakten van zichzélf en in die vrijgekomen ruimte voltrekt God een nieuw begin. En zij raakten vol van Zijn heilsplan dat in hen vrucht begint te dragen. En zoals zwangerschap het Bijbelse beeld is van een mens die ruimte durft te maken voor leven zoals God dat ziet, is het kind het beeld van dat leven zelf. Evenals zwangerschap een uiterst teer en kwetsbaar beeld. Want hardheid wint het maar al te vaak van compassie en mededogen, zelfzucht wint het van naastenliefde en hebben en houden winnen het van breken en delen. Dat nieuwe begin is inderdaad zo kwetsbaar als een pasgeboren kind. Dat zo kan worden weggevaagd. Zoals Jezus zelf weldra zou merken.

De zinvolheid van het vieren van Kerstmis, van een nieuw begin, ligt er niet in dat daarmee het kwaad uit de wereld verholpen wordt. Het kwaad was er in de Bijbelse tijd, het is er nu. En het zal waarschijnlijk altijd deel uitmaken van het menselijk bestaan. De zinvolheid is dat wij ons herinneren dat er een permanente, van Godswege, uitnodiging is om met Zijn kracht en steun verschil te kunnen maken.

Marlies Roelofs

 
< Vorige   Volgende >
© 2010 Tso'ar - inspiratie en inzet
Ontwerp: Repro- van de Kamp