
| Gregoriaanse Schola - 22 februari 2009 |
|
Gregoriaanse Schola – 22
februari 2009
Overweging n.a.v. het
scheppingsverhaal uit het boek Genesis
Darwin 200 jaar. Het zal
u niet ontgaan zijn: er was in alle media aandacht voor het feit dat Darwin 200
jaar geleden geboren werd. Darwin, de vader van de evolutietheorie. Maar in het
kielzog van het Darwinjaar is de discussie over de controverse tussen de
evolutietheorie en het scheppingsverhaal weer opgelaaid. Denk maar aan Andries
Knevel, boegbeeld van de Evangelische Omroep. Het rumoer dat hij veroorzaakte
toen hij bekende niet langer te geloven dat God in 6 dagen de aarde met al haar
toebehoren had geschapen. Ook Darwin had grote angst om met zijn bevindingen
naar buiten te treden omdat deze God van het toneel zouden doen verdwijnen.
Want ja, wie was er inzake de schepping nou aan zet: God of een of andere
oerknal die de evolutie in gang heeft gezet? Het is merkwaardig dat deze
discussie nog steeds bestaat. Zoals je appels en peren niet met elkaar kunt
vergelijken, zo kun je ook evolutie en schepping niet met elkaar vergelijken.
Want de evolutie betreft een theorie en in de schepping gaat het om een
verhaal. Een theorie wil verklaren. En in een verhaal gaat het om zin en
betekenis. En die bijten elkaar niet, maar die kunnen - zoals we zullen zien - elkaar aanvullen.
Om het scheppingsverhaal
te verstaan is het van belang te weten dat er twee talen bestaan: de eerste
taal en de tweede taal. De eerste taal is de taal van de begrippen, de
definities en formules, de taal van de exacte wetenschap. Er staat wat er
staat, je zegt wat je bedoelt zo precies en eenduidig mogelijk. Een is een,
twee is twee en dood is dood. Het is goed dat die taal er is. Onze wereld kan
niet zonder en iedereen verstaat die taal wel in meer of mindere mate. Maar er
is nog een andere taal: de taal van beelden en gelijkenissen, de taal van de
sprookjes en mythen. Dat is de taal die poogt uit te drukken wat eigenlijk niet
te zeggen valt; de taal die je spreekt om niet helemaal te hoeven zwijgen.
Wanneer mensen uitzeggen wat ze ten diepste geloven over zichzelf en de wereld
om hen heen, wanneer mensen uitzeggen wat ze ten diepste hebben ervaren,
spreken ze in beelden. In de twééde taal dus. Bijbelverhalen - dus ook het
scheppingsverhaal - zijn geschreven in die tweede taal.
Wat zegt het
scheppingsverhaal ons over wat mensen ten diepste geloven over zichzelf en de
hen omringende wereld? Het scheppingsverhaal is ontstaan in de tijd van de
Babylonische ballingschap, zo’n 6 eeuwen vóór de geboorte van Christus. En dit
verhaal is geschreven in een tijd van grote benauwenis. Want een groot gedeelte
van het Joodse volk was als gevolg van een oorlog gedeporteerd en was van huis
en haard verdreven. Mensen in nood en wanhoop stellen in alle tijden dezelfde
vraag: de vraag naar de zin van alles. Wat is de zin van het bestaan, in dit
geval ver van huis en van iedereen verlaten? En dan groeit er een verhaal als
troost voor een wanhopig volk. Een verhaal over God die een bedoeling heeft met
deze wereld. Er groeit een verhaal, een lied, een lofzang op de aarde die
bedoeld is als goed. Dat lied met het refrein: ‘en God zag dat het goed was.’
Dit maakt duidelijk dat de tegenstelling tussen schepping en evolutie absurd
is. Het scheppingsverhaal wil géén verklaring geven voor het ontstaan van de
aarde. Want een volk in crisis is niet geïnteresseerd in de vraag waar ze
vandaan komen. Het is wél geïnteresseerd in de vraag of ze nog ergens naar toe
gaan? Is er nog een toekomst, een uitzicht?
Vanuit deze achtergrond
groeit het verhaal van “in den beginne was het goed.” Een verhaal over
vertrouwen in een moeilijke situatie. Vanuit dat vertrouwen groeit geloof in de
toekomst. Want aan het eind van het verhaal krijgt de mens van God een
opdracht: draag zorg voor de schepping en wees vruchtbaar. In Bijbelse zin gaat
het niet alleen om voortplanting maar om vruchtbaarheid in de zin van het
voortbrengen van heil.
De evolutietheorie en het
scheppingsverhaal zijn geen concurrerende grootheden. Verhalen laten een ándere
kant van de werkelijkheid zien. Ze vervangen niet de wetenschappelijke
theorieën. Ze vullen aan. De
evolutietheorie benadrukt als principe “the survival of the fittest.” In de
natuur overwint de sterkste. Het scheppingsverhaal opent ons voor een zienswijze
die hier iets aan toevoegt: de natuur als iets dat ons geschónken is, voor de
verwondering over de schoonheid ervan. En bovenal voor het geloof, het
vertrouwen dat alles in den beginne bestempeld is als goed. Het geloof dat
uiteindelijk door de Uiteindelijke zelf de aarde met al haar toebehoren bedoeld
is als goed.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|