
| Gregoriaanse Schola - 23 november 2008 |
|
Gregoriaanse Schola – 23 november
2008 Hoogfeest van Christus Koning Laatste zondag van het kerkelijke jaar
Uit het boek van de profeet Ezechiël:
Zo spreekt God de Heer: ‘Ik zoek mijn kudde op en bezoek mijn eigen schapen. Zoals een herder omziet naar zijn kudde, en zich onder zijn schapen begeeft wanneer ze verstrooid zijn, zo zal Ik omzien naar mijn schapen en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn ten gevolge van mist en nevel. Ik zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze laten rusten, - spreekt God de Heer - . ‘Het vermiste schaap ga Ik zoeken, het verdwaalde breng Ik terug, het gewonde verbind Ik, het zieke geef Ik weer kracht en het gezonde en sterke blijf Ik verzorgen. ‘Ik zal ze laten weiden zoals het behoort, En Gij, mijn schapen, - zo spreekt god de Heer - : Ik zal recht doen aan het ene dier tegenover het andere, tegenover ram en bok.’
Overweging
Vandaag is de laatste zondag van het kerkelijke jaar; het kerkelijke oudjaar zou je kunnen zeggen. Op deze laatste zondag wordt -met een moeilijk woord – de eschatologie ter sprake gebracht. Eschatologie is de leer van de laatste dingen. Op de láátste zondag worden de láátste dingen ter sprake gebracht: de dingen die er uiteindelijk toe doen; de dingen die verschil maken. Vooral de ouderen herinneringen zich nog de donderpreken die dan gehouden werden waarin het draaide om hel en verdoemenis. Er werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om de gelovigen weer eens hardhandig bij de les te krijgen en te houden. Voor zolang het duurde. Want meestal bedachten diezelfde gelovigen wel weer een paar moppen om de ernst van de zaak te relativeren.
Het is opvallend dat op dit moment de roep om een kerk met een behoorlijk donderpreekgehalte opnieuw te horen is. Er is in onze tijd veel kritiek op de kerk, er is in onze samenleving ook een grote onverschilligheid ten opzichte van de kerk. Maar, in de context van het debat over waarden en normen is ook het geluid te horen dat de kerk opnieuw de rol van donderprediker op zich zou moeten nemen. Zo stond er onlangs in het dagblad Trouw een lang artikel van de hand van de socioloog Herman Vuijsje met als titel: - inderdaad - Donderpreek. Kern van het artikel was dat het christendom verworden was van streng naar lief, naar het angsthazerige ‘moet kunnen’. Het hedendaagse Nederland, zo betoogde Vuijsje, heeft weer een flinke scheut Mozes nodig. Mozes klom de berg op en kwam terug met een stel harde wetten. Duidelijke regels, niks te maren, gewoon naleven en daarmee basta, zo schrijft Vuijsje.
Het is maar de vraag of de kerken deze rol weer op zich zouden willen nemen. Voor veel mensen is de kerk toch nog vooral dat instituut dat op allerlei mogelijke en onmogelijke manieren het leven van mensen in een ijzeren greep wilde krijgen. En deels kampt de kerk nog steeds met de naweeën hiervan. Een tweede probleem lijkt mij is, dat de kerk geen sanctiemiddelen heeft. Vroeger predikte zij hel en verdoemenis maar weinig mensen geloven nog in het bestaan daarvan. Tenzij het de hel hier op aarde betreft. En van excommunicatie zijn veel gelovigen ook niet meer onder de indruk. Hoe beweeg je mensen dan om – met de woorden van Vuijsje – de harde wetten en duidelijke regels van Mozes na te leven?
Over één pressiemiddel hebben we het echter nog niet gehad.
Een pressiemiddel dat bij uitstek ter sprake kwam op die laatste zondag van het
kerkelijk jaar: en dat betreft het laatste oordeel. Het is talloze malen
verbeeld in de wereld van de kunst. In steen uitgehakt in de muren van Franse
kathedralen of, in de loop der eeuwen, geschilderd door talrijke
Een paar jaar geleden was ik in Beaune met mijn toen 11 jarige dochter. Zij keek vol aandacht naar dit schilderij. Haar conclusie loog er echter niet om. Als dat zo gaat, zo luidde háár eindoordeel, dan wil ik niet meer geloven. Want dat geloven en bangmakerij met elkaar te maken zouden hebben, dat ging er bij haar niet in.
Aan een gedateerde voorstelling van de hel kunnen wij nu gemakkelijk voorbijgaan. Het beeld van zielen die door duivels naar de hel worden gedragen, kan achterhaald zijn. Maar geldt dat ook voor het idéé van een laatste oordeel? Want als ons leven een opdracht heeft, als wij van Godswege ergens toe geroepen zijn, is daarmee een moment van toetsing dan niet een gegeven? Als wij geroepen zijn om gestalte te geven aan de dingen die er toe doen, de dingen die verschil maken, is toetsing dan niet een noodzakelijk gegeven?
In het jaar 1925 werd het hoogfeest van Christus, Koning van het heelal geplaatst op deze laatste zondag van het kerkelijke jaar. Zo werd door de kerk Zijn koningschap in verband gebracht met die laatste dingen, met die dingen die uiteindelijk het verschil maken. Dat zijn eigenlijk heel eenvoudige, simpele dingen. Verwoord in de prachtige beeldtaal van de profeet Ezechiël: het vermiste schaap zal ik zoeken, het verdwaalde breng ik terug, het gewonde verbind ik, het zieke geef ik weer kracht en het gezonde en sterke blijf ik verzorgen. De laatste dingen, de dingen die zin geven, hebben in Bijbels perspectief altijd te maken met de buitenwereld. Je geeft zin aan je bestaan door je naar die wereld te keren en daar dingen te doen. Het leven van Jezus van Nazareth blijft voor ons in deze een bron van inspiratie. Op dit moment worden hier foto’s geëxposeerd van Hans Bronsgeest. Foto’s van vervallen graven die o.a. afgebroken kruisbeelden tonen. Kruisbeelden in stukken, weggezakt in het zand met de omhoog geheven armen van het corpus nog net zichtbaar. Zoals een drenkeling vlak voordat hij door het drijfzand verzwolgen wordt. Deze indringende wijze van fotograferen toont op bijna dwingende wijze nog iets anders. Het neergestorte en kapotte corpus, volledig prijsgegeven aan de elementen is tegelijkertijd een krachtige verwijzing naar een leefwijze die in onze christelijke traditie met goddelijke mate gemeten is. De foto’s van deze kapotte corpussen, prijsgegeven aan de elementen, tonen iets van het geheim van Jezus’ leven: een leven waarin hij zich zonder enig voorbehoud met huid en haar uitgeleverd heeft aan de buitenwereld. Om alles wat vermist, verdwaald en ziek is te zoeken en te redden en het gezonde en sterke te verzorgen. En zonder daar een beloning of tegenprestatie voor terug te vragen. Een leven pro Deo, dansend voor Gods aangezicht. Een Koninklijke leefwijze!
Déze leefwijze is wat de kerk moet blijven uitdragen. Geen harde wetten en duidelijke regels, geen flinke scheut Mozes zoals Vuisje zou willen. En niet omdat Gods wil niet absoluut zou zijn. Die is echter alleen absoluut wanneer wij door Hém gegrepen worden. Zoals Jezus van Nazareth die zo gegrepen was dat hij uiteindelijk gezien werd als van hetzelfde makelij als God. Zoon, Góds zoon werd hij daarom genoemd. Alleen vanuit deze gegrepenheid en gedrevenheid worden wetten en regels absoluut. Want anders ontaardt het weer in een van buitenaf opgelegd beloning en strafsysteem: een variant op het hel en verdoemenis schema. Dit even afgezien van het probleem dat het de kerk ontbreekt aan sancties.
En dat brengt ons terug bij dat nog onopgeloste probleem van het laatste oordeel. Dat moment van toetsing, dat wellicht énige pressiemiddel dat de kerk nog heeft. Ik geef u hierover als slot een gedachte mee van de Franse mystica Simone Weil. Zij zegt dit:
Als de ziel voor God staat, wordt het
zelfzuchtige deel
ervan niet tot lijden,
maar tot de dood veroordeeld.
We worden, wanneer we tekort schieten door onze zelfzucht, dus niet door angstwekkende duiveltjes weggedragen naar een of ander helleoord. We worden niet tot lijden veroordeeld, zegt Simone Weil. Er vindt echter wel een oordeel plaats: ons zelfzuchtig deel wordt ter dood veroordeeld, zegt Weil. Onze donkere kanten houden in het licht van God eenvoudigweg dus geen stand. In het laatste oordeel geneest Hij ons daarvan. Bevrijdt Hij ons hiervan.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|