Advertisement
Gregoriaanse Schola - 24 februari 2008

Gregoriaanse Schola – 24 februari 2008

Marlies Roelofs

Jesaja  58: 1-12:  “Dan straalt uw licht als de dageraad, dan straalt uw licht in het duister, dan zijt ge een welbesproeide tuin, als een bron die altijd water geeft.”

De ziel als onaantastbaar rustpunt in jezelf

In het tijdschrift Missio stond onlangs een artikel van de vooraanstaande Nederlandse boeddhistisch zenmeester Ton Lathouwers. Hij vertelt dat in de boeddhistische iconografie een afbeelding bestaat van de Boeddha als strenge asceet: uitgemergeld, met holle ogen, een levend skelet. Op zijn jarenlange zoektocht heeft de Boeddha een periode gekend waarin hij innerlijke bevrijding hoopte te vinden door streng vasten. Maar opmerkelijk is, zo vertelt Lathouwers, dat de werkelijke bevrijding pas plaatsvond toen hij had gebroken met deze rigide praktijk. De voorstelling van de uitgemergelde Boeddha is dan ook een waarschuwing: hier gaat het niet om.

Is elke vorm van vasten dan zinloos? Nee, maar de zin of zinloosheid van vasten wordt bepaald door de context; door het perspectief waarin het vasten wordt geplaatst. De tekst van Jesaja gaat over een verkeerd perspectief dat het vasten zinloos maakt. “Uw vasten gaat gepaard met ruziën en twisten, met vechten en slaan. Als gij zo vast, wordt uw roepen in de hemel niet gehoord.” Zo heeft vasten blijkbaar dus geen zin.

Jesaja plaats het vasten vervolgens in de context die wij uit de Bijbel zo goed kennen: de context van het doen van gerechtigheid: Vasten is onrechtvaardig geboeiden vrijlaten, je brood delen met de hongerigen, niemand met de vinger nawijzen, geen kwaad spreken. Dan, zo zegt Jesaja, straalt uw licht in het duister, dan zijt gij als een bron die altijd water geeft.

Uit het artikel van Ton Lathouwers blijkt dat het vasten dat het boeddhisme voorstaat óók alles te maken heeft met solidariteit. Een volgeling van Boeddha legt dan ook de gelofte af dat ze haar of zijn lichaam en bloed zal blijven uitdelen aan alle levende wezens zolang het bestaan in tijd en ruimte zal voortduren.  De verwantschap met de christelijke traditie springt hier in het oog. Want de gelofte om jezelf als lichaam en bloed uit te delen aan je naaste doet onmiddellijk denken aan de eucharistie. Voor zenmeester Ton Lathouwers heeft dit betekend dat hij de christelijke traditie met nieuwe ogen en een nieuw hart is gaan zien. Het geeft te denken dat deze twee levensbeschouwelijke tradities die ontstaan zijn in verschillende culturen en verschillende tijden in essentie zo overeenkomen.

Je lichaam en bloed uitdelen aan alle levende wezens, zegt het Boeddhisme. De woorden van Jesaja over brood delen met de hongerigen, naakten kleden en verdrukten bevrijden sluiten hier naadloos bij aan. Ook vanuit christelijk perspectief zijn vasten en solidariteit onlosmakelijk met elkaar verbonden. Solidariteit is het perspectief dat vasten zinvol maakt.

Maar een oppervlakkige lezing van de tekst van Jesaja zou ons echter tot de conclusie kunnen brengen dat hier louter gaat om van buitenaf opgelegde regels die wij - op straffe van sancties - moeten navolgen. Jesaja voert namelijk een vertoornde God op die het vasten van zijn volk dat gepaard gaat met onrecht en verdrukking radicaal afwijst. Het ligt dan in de lijn van de verwachting dat op die vertoorndheid van God een reeks van sancties zouden volgen. Zoals een ouder die zijn of haar kind terecht wijst en daarop een sanctie laat volgen in de hoop op correctie van het gedrag dat wordt afgewezen. Maar dat is niet zo. Jesaja laat weliswaar een vertoornde God aan het woord maar die even later de prachtigste beelden gebruikt wanneer het vasten zich wél vertaalt in solidariteit en gerechtigheid, “Dan straalt uw licht als de dageraad, dan straalt uw licht in het duister, dan zijt ge een welbesproeide tuin, als een bron die altijd water geeft", zo spreekt God door de mond van de profeet.

In zowel het boeddhisme als in onze eigen christelijke traditie gaat het om veel meer dan het naleven van regels. Regels zijn van buitenaf opgelegd en kunnen ons het gevoel geven in een keurslijf te worden gedrongen. Een bron die altijd water geeft, een welbesproeide tuin: het zijn beelden die moeilijk in verband kunnen worden gebracht met van buitenaf opgelegde regels, met dwang.

En volgens de Bijbelse kijk op mensen zijn we er ook niet om tot de orde te worden geroepen maar om rechtop te gaan staan en uit onze handen geluk, heelheid, vrede, gerechtigheid aan te reiken. En wel van binnenuit en niet omdat dit van wie dan ook moet!

Er is, diep in mensen verscholen, een kern, die met een oud woord aangeduid wordt als ziel. De ziel van mensen is niet te definiëren en ook niet aan te wijzen. De ziel is wel in mensen te proeven, te ervaren.

Onlangs hadden wij hier een theatervoorstelling in huis over Titus Brandsma. Acteur Peter Vermaat slaagde er om in zijn spel die ziel van Titus Brandsma bloot te leggen. In zijn column in het dagblad Trouw omschreef Jean-Jacques Suurmond de ziel als een onaantastbaar rustpunt in jezelf. Dat is een treffende omschrijving van wat acteur Peter Vermaat ons liet proeven als de ziel van Titus Brandsma. Er was een kern in hem waar niemand greep op had. Die onaantastbare kern manifesteerde zich bij Brandsma in een houding van deemoed en vriendelijkheid tegenover vriend en vijand; ook tegenover de nazi’s die hem in de tweede oorlog op een gegeven moment gevangen namen. Alhoewel hun gevangene, hadden zijn ondervragers geen greep op dit onaantastbare rustpunt in hem.

Ook columnist en predikant Jean-Jacques Suurmond ervaarde dat onaantastbaar rustpunt in hemzelf. In zijn columns doet hij op dit moment verslag van zijn strijd tegen kanker. Dankbaar meldde hij deze week dat er geen uitzaaiingen waren gevonden. Maar hij schreef ook dankbaar te zijn geweest bij een veel slechtere uitslag. Waarom, vraagt hij zichzelf dan af. Dan vertelt hij dat na de eerste schok van het bericht dat hij kanker had, hij een onaantastbaar rustpunt in zichzelf aantrof. Dat moet de ziel zijn, zo schrijft hij, dat spirituele orgaan dat artsen tevergeefs zoeken op hun MRI scan. De ziel verenigt en verzoent tegendelen als gezondheid en ziekte, hoop en wanhoop. Suurmond vertelt hoe zijn geloof eerder eenzijdig gericht was op voorspoed en genezing. Dat riep bij hem onrust en verkramptheid op: er was immers altijd de mogelijkheid dat zijn gebed niet verhoord zou worden. Ik bleef de gevangene van mijn eigen getob, zo schrijft hij.

Daar op de bodem van de ziel, waar tegenstellingen verzoend zijn en waar rust heerst, ligt die levenshouding waar Jesaja van droomt. Als tegenstellingen als ziekte en gezondheid, hoop en wanhoop, geluk en ongeluk verzoend zijn, breekt het moment aan waarop wij zeggen dat het leven goed is zoals het zich aandient. Het verzoenen van die tegenstellingen opent de bron in ons waaruit mildheid, vergevingsgezindheid en barmhartigheid stromen. Zo was Titus Brandsma  in Dachau een baken van aandacht en zorg voor zijn medegevangenen. Hij leefde vanuit die zielsrust: een voor de omstandigheden van zijn tijd onaantastbaar rustpunt.

 “Dan straalt uw licht als de dageraad, dan straalt uw licht in het duister, dan zijt ge een welbesproeide tuin, als een bron die altijd water geeft.”

Je lichaam en bloed uitdelen aan levende wezens zolang het bestaan in tijd en ruimte zal voortduren. Essentieel in het boeddhisme en ons zo vertrouwd vanuit onze eigen christelijke traditie. Maar we zijn niet geroepen om tot de orde te worden geroepen en solidair te zijn vanwege een van buitenaf opgelegde regel. Het gaat Jesaja veleer om het vinden van onze ziel waar tegenstellingen zijn verzoend en waar die bron schuilt van mildheid en barmhartigheid. Vasten betekent dan vrij worden van alles wat ons weerhoudt van contact met onze ziel, ons diepste zelf.

Marlies Roelofs

 
< Vorige   Volgende >
© 2010 Tso'ar - inspiratie en inzet
Ontwerp: Repro- van de Kamp