|
Gregoriaanse Schola – 25 januari 2009
Marlies Roelofs
Lezing uit het boek van de profeet Jona
Het woord van de Heer werd gericht tot Jona: “Sta op, ga naar Ninive, de grote stad, en zeg haar, dat hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij.” En Jona stond op, om naar Tarsis te vluchten, weg van de Heer. Hij ging naar Jafo en hij trof een schip aan dat naar Tarsis ging.
Maar de Heer smeet hevige wind op de zee en er brak zo’n hevige storm los, dat het schip dreigde te breken. Om het schip lichter te maken gooiden de zeelieden de lading in zee. En ze zeiden tegen elkaar: “Kom, laten we het lot werpen om te zien aan wie het ligt, dat deze ramp ons treft.” Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. Zij vroegen hem: “Wat moeten we met u doen om door de zee met rust gelaten te worden?” Hij antwoordde hun: “Neem mij maar op en smijt mij in zee: dan zal de zee u met rust laten.
Toen namen zij Jona op en smeten hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. De Heer zond een grote vis om Jona te verzwelgen. En Jona was in de buik van de vis, drie dagen en drie nachten. En in de buik van de vis bad Jona tot de Heer, zijn God. Toen sprak de Heer tot de vis en de vis spuwde Jona op het droge.
Nu werd het woord van de Heer voor de tweede maal tot Jona gericht: “Sta op, ga naar Ninive en kondig haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven. En Jona stond op en ging naar Ninive, zoals de Heer bevolen had. Ninive was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona ging de stad in, één dagreis ver. Toen riep hij: “Veertig dagen nog, en Ninive wordt met de grond gelijk gemaakt!”
Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en iedereen, van groot tot klein, trok boetekleren aan. En God zag wat zij deden en Hij kreeg spijt dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Jona vond dit echter een heilloos besluit en hij werd nijdig. Hij bad: ‘Daarom ging ik vluchten! Ik wist immers dat U een genadige en barmhartige God bent, toegevend en rijk aan liefde, U hebt altijd berouw over onheil.” Maar de Heer vroeg: “Is er wel een reden om nijdig te zijn?”
Jona ging de stad uit en ging er bij zitten. Hij maakte een loofdak en ging daaronder in de schaduw zitten kijken, wat er met de stad zou gebeuren. Nu liet God een ricinusboom opschieten om het hoofd van Jona schaduw te geven en hem zo van zijn wreveligheid te genezen. Jona was opgetogen over de boom. Maar toen beschikte God het zo, dat er de volgende dag in alle vroegte een worm kwam die de boom aanvrat waardoor hij verdorde. En de zon stak zo hard op Jona’s hoofd, dat hij uitgeput neerzonk en verlangde te sterven. En God vroeg aan Jona: "Is er wel reden om zo nijdig te zijn over die boom?" Jij bent begaan met de boom, waarvoor je niets hebt gedaan en die jij niet hebt opgekweekt, die boom die tussen de ene nacht en de andere is opgeschoten en vergaan. En zou Ik dan niet begaan zijn met Ninive, de grote stad, waar zoveel mensen wonen die het verschil tussen hun rechterhand en hun linkerhand niet weten?”
Overweging
“Toen Jezus zich eens bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers die het net uitwierpen in het meer. Hij riep hen en terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. “
Deze evangelietekst vormt de omlijsting – de antifoon - van de Lofzang van Zacharias die na de overweging gezongen wordt. Deze tekst vormt een scherp contrast met het verhaal van Jona. Waar de twee broers Simon en Andreas terstond hun netten in de steek laten om de Heer te volgen, kan dat van Jona allerminst worden gezegd. Als God Jona roept, gaat hij er als een haas vandoor. Maar in feite gaan ook de leerlingen van Jezus in dit opzicht niet vrij uit. Want Simon – Simon Petrus – wordt in het evangelie van Johannes “Simon bar Jona “ genoemd. Dat betekent: Simon, zoon van Jona. In de Bijbelse taal wordt daarmee niét bedoeld dat Jona de vader van Petrus zou zijn. Petrus, zoon van Jona, houdt in dat hij van dezelfde soort was als Jona. Want evenals Jona was ook Petrus een dwarsligger. Petrus verloochent Jezus tot driemaal toe als de grond te heet wordt onder zijn voeten. Hij is de kleingelovige die, lopend over het water, Jezus tegemoet gaat, bang wordt van de wind en zinkt. En hij wordt door Jezus satan genoemd als hij weigert achter hem aan te gaan.
Petrus en Jona: ze zijn beiden van dezelfde soort: de ménselijke soort!
Als het woord van God Jona voor de eerste maal bereikt en hem maant naar Ninive te gaan, staat - zo lezen we in de Bijbel - Jona óp. Ópstaan is in de Bijbel een woord met een geladen betekenis. Als dat woord gebruikt wordt dan gaat het ánders worden, dan gaat er iets nieuws gebeuren! Maar zo niet met Jona. Jona staat óp om er vervolgens vandoor te gaan. Hij wil niet naar Ninive. En hij vlucht, weg van het aangezicht van de Heer. Maar dat is in feite onmogelijk: het aangezicht van de Heer valt niet te ontvluchten. Ook niet op zee. Want de storm die daar losbarst, verhindert dat Jona in Tarsis arriveert, de vis die hem opslokt voorkomt dat hij verdrinkt. En de vis spuwt hem weer op het droge. En dan zitten we midden in de beeldtaal van de Schrift. Want de zee is beeld van de chaos. En het droge, dat gewonnen moet worden op het woeste water, is land dat uit moet groeien tot land van belofte. In deze beelden van het woeste water (chaos) en het droge (het land dat land van belofte moet worden) klinken een aantal ándere Bijbelverhalen mee. Het scheppingsverhaal b.v. waarin het droge tevoorschijn komt als Gods geest het woeste water bedwongen heeft. En het verhaal van Noach die met zijn boot overgeleverd was aan water en storm tot dat ook daar het droge, het land weer tevoorschijn komt. En het verhaal over het volk dat aan de slavernij in Egypte ontsnapt, door het water gaat, totdat het weer grond onder de voeten heeft. In al deze verhalen wordt het droge gewonnen op het woeste water. Deze beeldtaal die we óók horen in het verhaal van Jona wil ons zeggen dat er een weg moet zijn van de zee als beeld van de chaos, naar het land, naar het droge. En dan is de vraag of dat droge straks land van belofte wordt. Daartoe wordt Jona geroepen: om van de chaos in Ninive land van belofte te maken.
Want wat is er gaande in Ninive? In de tekst staat dat Ninive niet alleen een grote stad is maar een gewéldig grote stad! In Bijbelse zin gaat het dan om veel méér dan alleen de omvang en het aantal inwoners. In Bijbelse zin betekent groot dat men van geen ophouden weet, dat het leven grenzeloos en mateloos is, dat men er leeft als goden en dat de menselijke gestalte geweld wordt aangedaan. In die zin is Ninive niet een gróte stad, maar een gewéldig grote stad
Jonas moet roepen over Ninive. Jona – zijn naam betekent duif! – wordt geroepen om daar de boodschap te brengen van vrede en gerechtigheid. Hoe moet hij dat doen? Zeker niet door de zedenmeester uit te hangen door anderen te gaan vertellen wat zij in de ogen van God allemaal niet verkeerd doen. En de zedenmeester ziet bovendien meestal zijn eigen gebreken over het hoofd. Neen, Jona moet tegenover de onbegrensdheid van de stad de begrensdheid belichamen; de maat tegenover de mateloosheid. En dat moet hij doen door als een rechtvaardige te leven, door als een rechtvaardige door heel de stad te trekken. Want een rechtvaardige verspreidt vrede en voorspoed om zich heen. Daartoe is Jona geroepen, zijn wij geroepen. Niet als zedenmeester maar als een stille getuige van de begrensdheid tegenover de onbegrensdheid. De onbegrensdheid die het leven, ook dat van vandaag, zo vaak kenmerkt.
Maar Jona wil niet. Wat bezielt hem? Waarom wil Jona niet naar Ninive? Allereerst wil Jona niet naar Ninive omdat Ninive de hoofdstad was van Assyrië: de grootmacht die Israël bedreigde. Jona wil geen profeet zijn voor de vijand. Én Jona weigert omdat hij weet heeft van de barmhartigheid en de genade van God. “Daarom ging ik vluchten!”, zegt hij tot God. “Ik wist immers dat U een genadige en barmhartige God bent, toegevend en rijk aan liefde.” En als God Ninive spaart, dan zal Assyrie dus een bedreiging blijven voor Israël. Daar wil Jona niet aan mee werken. Daarom vlucht hij. En als het woord van de Heer voor de tweede maal tot Jona wordt gericht, en hij uiteindelijk wél naar Ninive gaat blijft hij aan de rand staan. Er waren drie dagen nodig om door Ninive heen te trekken. Maar Jona ging de stad in, slechts één dagreis ver. En zijn preek is navenant. Die bestond uit ook maar één zin: `veertig dagen nog, riep Jona, en Ninive wordt met de grond gelijk gemaakt.` Jona is boos omdat God goed is. Jona (wij) hebben moeite met het grensdoorbrekende en grensoverschrijdende van Gods barmhartigheid, en al helemaal als die barmhartigheid zich ook uitstrekt naar onze vijanden.
Maar die ene zin waaruit Jona’s preek bestond is blijkbaar toch genoeg. Ninive bekeert zich. Maar alleen God lijkt dat gezien te hebben. Jona niet. Want we lezen hoe hij in de schaduw van zijn loofdak als een soort ramptoerist gaat zitten kijken wat er met de stad zal gaan gebeuren. En dan haalt God een grap met hem uit. De boom die Hij laat opschieten om schaduw voor Jona´s hoofd, verdwijnt door Gods ingrijpen weer van het toneel. En Jona zal Jona niet zijn om daarover weer goed nijdig te worden. En dan zegt God: Jona, jij bent begaan met een boom waarvoor je niets hebt gedaan. Zou ik dan niet begaan mogen zijn met Ninive?
Het verhaal van Jona houdt ons een spiegel voor. Hoe wij als mens opgesloten kunnen zitten in tegenstellingen. Onverlost heet dat in de taal van de Schrift. Zij tegenover wij, autochtonen tegenover allochtonen, moslims tegenover, zo lijkt het soms, de rest van de wereld, gelovigen tegenover ongelovigen, Palestijnen tegenover Israel, de ene buurt tegenover de andere buurt, de ene parochie of gemeente tegenover de andere etc. Daar tegenover staat Gods barmhartigheid die aan geen enkele grens gebonden is. Dat wij daar moeite mee kunnen hebben, illustreert het verhaal van Jona. Daarom is dit verhaal ook zo waardevol. Al kunnen wij – soms, vaak – niets met die grensdoorbrekende barmhartigheid van God, het is goed dat onder ons een verhaal bekend is dat gewag maakt van een grenzeloze en grensdoorbrekende goedheid.
Marlies Roelofs
Bij de voorbereiding van deze preek is gebruik gemaakt van het boek ‘Jona’ van Th. Naastepad.
|