|
Gregoriaanse Schola – 25 mei 2008
Marlies Roelofs
Breken en delen
Lezing: Genesis 14
Het was in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arjok, de koning van Ellasar, van Kedorlaomer, de koning van Elam, en van Tidal, de koning van Goïm. Deze vier koningen waren in oorlog met Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Seboïm, en met de koning van Bela. Deze vijf koningen trokken gezamenlijk op naar het dal van Siddim, nu Zoutzee geheten. Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen. En de vijf koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboïm, en van Bela en Adma trokken ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met de vier koningen van Elam, Goïm, Sinear en Ellasar: vier koningen tegen vijf. In het dal van Siddim waren veel asvaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen in die putten, terwijl de overige drie koningen de bergen in vluchtten. De vijanden maakten zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden, daarna gingen zij weg. Bij hun aftocht voerden zij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen. Lot woonde namelijk in Sodom.
Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeër; hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre. Toen Abram hoorde dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen en hij ging de vijand achterna tot bij Dan. Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus. Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en zijn bezittingen, evenals de vrouwen en het krijgsvolk, bracht hij terug.
In het dal van Sawe trad Melchisedek, de koning van Salem, Abram tegemoet. En Melchisedek bood Abram brood en wijn aan. Omdat hij priester was van de allerhoogste God, zegende hij hem met deze woorden:
Gezegend zij Abram door de allerhoogste God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, en gezegend zij de allerhoogste God die uw vijand aan u heeft uitgeleverd.
En Abram gaf hem van alles een tiende deel.
Overweging
Een van de oudste Bijbelverhalen waarin brood en wijn wordt gedeeld, is het verhaal over de ontmoeting van Abram met Melchisedek. Dit verhaal staat opgetekend in Genesis: het eerste boek van het Oude Testament. De tekenen van brood en wijn hebben dus lange en diepe wortels in onze joods-christelijke traditie.
Ooit vertrok Abram uit zijn geboorteland om op weg te gaan naar het land dat God hem wijzen zou. Maar Abram vertrekt niet alleen. Vergezeld van zijn neef Lot komt hij uiteindelijk aan in het land Kanaän. Maar op zekere dag krijgen Lot en Abram ruzie over de waterbronnen. Om te voorkomen dat de zaak volledig uit de hand loopt, stelt Abram Lot voor uit te kijken naar een andere plek om te gaan wonen. Lot trekt dan met zijn familie en al zijn vee weg naar vruchtbaar land in de buurt van de stad Sodom. Abram blijft achter bij de bomen van Mamre. Maar op zeker moment krijgt Abram bericht dat neef Lot in handen is gevallen van de vijand. Dan staat er in de Schrift: ‘Abram hoorde dat zijn bróeder als gevangene was weggevoerd. Niet nééf Lot maar broeder Lot. Abram wordt zijn broeders hoeder. Hij mag weliswaar nog geen stukje grond in Kanaän het zijne noemen, maar hier waait reeds de geest van het beloofde land als hij er op uit trekt om zijn broeder te bevrijden uit handen van de vijand. Abram en zijn mannen slagen er in om verwarring te stichten in het kamp van de vijand en Lot komt vrij.
Zwijgend, hoog in het zadel, rijden zij voort. De stoet trekt door een vallei. Boven hen, op een berg, ligt een stad, Salem en dat betekent vrede. Over duizend jaar zal koning David hier de stad van zijn dromen stichten: Jeru- Salem, stad van vrede.
Dan geschiedt er onderweg iets wonderlijks. Plotseling daalt van de berg een stille gestalte neer. Het is Melchisedek, koning van Salem. Na de vier koningen die met vijf andere koningen slaags raakte is hij de tiende koning die in dit verhaal wordt genoemd. Melchisedek: zijn naam betekent gerechtigheid. En hij is natuurlijk de echte koning. Hij is de laatstgenoemde koning en hij verschijnt onverwacht, maar eerst hij wordt met recht koning genoemd. Dat gebeurt vaker in de bijbel. Je leest “en het geschiedde“ en je hoort namen van grote mannen. Amrafel en Kedorlaomer, Augustus en Quirinius en dan plotseling zwenkt de camera naar iets wat in de marge van die grote geschiedenis ook geschiedt. Dan hoor je van de echte koning, die onverwacht en van alzo hoge uit het niets komt aangezet, de aanvankelijk ongetelde, maar let op: hij zal de echte geschiedenis schrijven. Melchisedek: zijn naam betekent gerechtigheid en hij is koning van Salem en dat betekent vrede. De koning van de stad van vrede heet gerechtigheid. De koning van de stad van vrede kan ook niet anders heten dan gerechtigheid want zonder gerechtigheid houdt vrede geen stand.
Melchisedek, priester en koning, brengt Abram brood en wijn. Hij moet in Abram een geestverwant hebben ontdekt. In Abram die zich zijn broeders hoeder toont, wordt een glimp zichtbaar van dat beloofde land. Abram heeft recht gedaan aan zijn broeder; hij heeft hem bevrijd uit gevangenschap. En als uit het niets treedt Melchisedek naar voren om Abram te groeten en hem te zeggen: wat jij gedaan hebt, is waarop de wereld wacht.
Breken en delen: het kan nieuwe verhoudingen scheppen en grensdoorbrekend zijn. Zoals het geval was bij Abram en Melchisedek. Want Melchisedek is weliswaar priester maar van een andere geloofsrichting dan Abram. Melchisedek is een Kanaanitische (heidense) priester. Kan Abram zich door een Kanaanitische priester laten zegenen? Ja, dat kan. Want wie niet tot Abram en de zijnen behoort, kan toch dienaar zijn van de God van Abram en de zijnen. En als je naam ‘gerechtigheid’ is en je komt uit de stad van vrede, dan het niet anders of je bent op het spoor van de Allerhoogste God.
Breken en delen: het kan nieuwe verhoudingen scheppen en grensdoorbrekend zijn.
Als wij dat daadwerkelijk doen dan is de ánder die wij ontmoeten niet alleen bv. een vluchteling die financieel moet worden ondersteund of een dakloze die voedsel nodig heeft of een psychisch gestoorde die moet worden geïntegreerd. Een ontmoeting met een ander (met het anders-zijn) kan confronterend zijn. Een ontmoeting met een ernstige zieke confronteert ons met onze eigen eindigheid. Een ontmoeting met een vluchteling is confronterend voor een leven in welstand. Een ontmoeting met een dakloze gestoorde confronteert ons met onze eigen kwetsbaarheid: er is soms weinig voor nodig om te worden als zij. De vreemde/het vreemde dat ons leven binnenvalt, doet ook iets met ons. Alleen deze wederkerigheid voorkomt een houding van patroniserende neerbuigendheid van onze kant. Alleen zo is er sprake van daadwerkelijk breken en delen.
Als een koning die wil geven daalt Melchisedek de berg af, als een die dient draagt hij in zijn handen brood en wijn. Een messiaanse verschijning is hij, een davidische gestalte. De negen andere koningen voeren oorlog. De tiende koning komt met brood. Samen bidden zij tot de God die zij beiden op het spoor zijn, de Hebreeër en de Kanaaniet.
Even onverwachts als hij verschenen is, is Melchisedek ook weer verdwenen. We hebben hem slechts even ontmoet: een mens zonder vader, zonder moeder, zonder voorgeslacht. Zonder begin van dagen en zonder einde van leven. Een priester die zomaar uit de hemel kwam vallen. Alsof God zelf in het spel is. Over Jezus die genoemd wordt zoon van Abraham, zoon van David, doen soortgelijke verhalen de ronde. Ook iemand die zomaar uit de hemel kwam vallen, ook iemand waarvan gezegd is dat God zelf in het spel is. Melchisedek en Jezus: twee koningen met handen vol brood en wijn om te geven, te breken en te delen. Met deze tekenen spraken zij zich ten diepste uit. Deze tekenen lieten zij aan ons. Als gave en opgave.
Voor deze overweging is gebruik gemaakt van Het verhaal gaat (deel 1) van Nico ter Linden:
Abram en Melchisedek.
Marlies Roelofs
|