
| Gregoriaanse Schola - 26 oktober 2008 |
|
Gregoriaanse Schola – 26 oktober 2008
De mythe van de bezieling
De Joodse
traditie kent een prachtig verhaal over de grenzeloze barmhartigheid van God.
Dat
verhaal gaat als volgt:
De kern
van dit verhaal is het beeld van God als de schier eindeloos Barmhartige. Dit
beeld van God ( als de Barmhartige) staat haaks op het beeld van God als de
Almachtige. Dát is een problematisch beeld. Want als God almachtig is - zo gaat de overbekende redenering - waarom laat Hij dan zoveel kwaad en ellende
in de wereld toe? En als Hij niet in staat is om dit te voorkomen, dan is Hij
blijkbaar niet almachtig. En dan zal Hij – dat is vaak de volgende stap in de
redenering - wel niet bestaan. Tegenwoordig
wordt de almacht van God minder benadrukt. Het actuele Godsbeeld van nú
benadrukt God als de liefdevolle, de barmhartige.
Maar
loopt het beeld van de barmhartige en liefdevolle God ook niet stuk op de harde
werkelijkheid? Want evenmin als we denken iets te merken van Zijn almacht, zo
lijken we ook niets te merken van zijn barmhartigheid. En dit is wel
fundamenteel. Want veel mensen hebben hun geloof verloren omdat er in hun leven
weinig merkbaar was van een almachtige of een barmhartige God. Zo bezocht ik een
aantal jaren geleden bezocht ik een oudere heer die uitstekend op de hoogte was
van de moderne theologie. Tegenwoordig zeggen ze, zo zei hij mij, dat God
liefde is. Hij kon daar weinig mee. God was in zijn beleving een boekhouder die
hem na zijn dood zou afrekenen op zijn fouten en tekorten. Met dit beeld van
God voor ogen is hij uiteindelijk ook gestorven. Het zat te diep om daar nog
verandering in aan te brengen. Je wenst niemand toe om zo in angst te sterven.
Onlangs
stond in de krant een artikel met als kop “Zonder mythen gaat het niet”. Het
artikel is geschreven door Matthias Smalbrugge, predikant te Aerdenhout. Het
ging over de betekenis van mythen waaronder de mythe van de religie. Nu wordt
het woord mythe nogal eens verkeerd begrepen. Er zijn veel mensen die denken
dat mythen slechts verhalen zijn: dus niet waar, niet echt gebeurd. Het is
(maar) een mythe, zo wordt er dan gezegd. Mythen zijn inderdaad verhalen. Maar
het zijn niet zomaar verhalen. We zeggen in mythen uit wat we ten diepste over onszelf
en over onze wereld geloven. Dat doen we in de vorm van verhalen omdat de
dingen die wij ten diepste geloven niet uitgezegd kunnen worden in de taal van
de exacte feiten. Om precies die reden staat de Schrift, de Bijbel, vol
verhalen. Over trouw, over verbondenheid, over God en al die andere dingen die
zich niet laten vangen in definities en formules. Als het om de diepste dingen
van het leven gaat gebruiken wij beeldtaal, vaak in de vorm van verhalen of
mythen.
In zijn
artikel “Zonder mythen gaat het niet” geeft Smalbrugge enkele voorbeelden. In
de mythe van de democratie, zo zegt hij, wordt het inzicht gekoesterd van de
gelijkheid van alle mensen. De democratie als de agora waar iedere mening telt en gehoord mag worden. Het is van het
grootste belang deze mythe hoog te blijven houden, zelfs wanneer de democratie
in de praktijk onvoldoende functioneert! Want deze mythe bewaart de diepe
overtuiging dat mensen gelijkwaardig zijn.
En wat
wordt er bewaard in de mythe van de religie? Religie bewaart de mythe van de
bezieling: dat is de diepe overtuiging dat ín ons iets ánders zit dan alleen ons
zelf; iets dat niet met ons zelf samenvalt. Het verhaal, de mythe, die deze
kerngedachte uitdrukt is het (tweede) scheppingsverhaal in de Bijbel waarin God
de mens boetseert uit stof dat Hij van de aarde nam en hem de levensadem in de
neus blies. Dit verhaal vertelt ons dat een mens méér is dan alleen stof of materie.
Het vertelt over de mens als een bezield wezen.
Het is de
ziel die in mensen een heilige onrust veroorzaakt om verder te kijken, voorbij de
zichtbare en tastbare werkelijkheid. Het is de ziel die mensen drijft de
grenzen van het zichtbare, het hoorbare, het tastbare op te zoeken en, bij de
grenzen aangekomen, een goddelijke Aanwezigheid vermoedt.( “Mijn hart is
onrustig totdat het rust in U”, zei Augustinus ooit.)
Terug
naar de Godsbeelden. Zo beschouwd is God niet allereerst een actor die de
wereld al dan niet begunstigt of bestraft. God heeft van doen met bezieling,
met iets in onszelf dat niet volledig met ons samenvalt, met een soort heilige
onrust die in ons de dynamiek aanwakkert Hem te blijven zoeken in deze wereld,
achter deze wereld, voorbij deze wereld…God is Aanwezigheid maar we kunnen Hem
niet op zijn staart trappen, we kunnen Hem niet van aangezicht tot aangezicht
aanschouwen. Hij gaat schuil achter en in de heilige onrust die ons drijft te
blijven zoeken naar het goede, het ware en het schone.
Een
goddelijke bezieling die ons voorbij onszélf voert, die ons boven onszelf doet
uitstijgen.
Mythen
zijn verhalen waarin wij uitzeggen wat wij ten diepste geloven over ons zelf en
onze wereld. Verhalen die gaan over God en mensen. Dat het verhálen zijn is van
het grootste belang. Het voorkomt dat wij God isoleren door Hem a.h.w. úit het
verhaal te halen en Hem buiten de wereld plaatsen, los van mensen. En Hem de
rol toebedelen van een morele opzichter, die naar willekeur straft of beloont. We
moeten God laten in de context van de verhalen en Hem daar vermoeden en a.h.w.
proeven en ruiken. Zoals in de tekst van vandaag waarin Zijn grenzeloze
barmhartigheid vermoed wordt. En die verhalen kunnen ons bezielen. Maar we
moeten niet proberen Hem op zijn staart te trappen, Hem in definities te
vangen. Dat is zo ongeveer het enige dat in de Schrift streng echt verboden is.
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|