|
Gregoriaanse Schola – 30 maart 2008
Marlies Roelofs
Beloken Pasen
Lezing:
Joh. 21:1-13
Is hij wel echt verrezen?
Was het
graf werkelijk leeg?
Wat
gebeurde er eigenlijk tijdens de verschijningen van Jezus, aan Maria Magdalena,
Petrus en de andere leerlingen?
Het zijn
vragen die nog steeds gesteld worden als het om de verrijzenis gaat. Vragen die
o.a. te maken hebben met ons grote verlangen naar zekerheid. En in de
verrijzenis van Jezus zoeken velen de zekerheid van een bestaan van leven ná de
dood. Maar het moment van de opstanding wordt door geen van de vier
Evangelisten beschreven. Als Maria Magdalena bij het graf aankomt, is de steen al
weggerold. De beweging die bij het graf heeft plaats gevonden was aan ieders
waarneming onttrokken. Dat onze gestorvenen geborgen zijn in God behoort nog
steeds én terecht tot ons levende geloof. Maar de echte omwenteling van Pasen
betreft veel meer dan alleen een eventueel leven na de dood. Om die omwenteling
op het spoor te komen zullen wij opnieuw moeten gaan luisteren naar de
paasverhalen. Dat kan lastig zijn want ons luisteren is door velerlei invloeden
bepaald. Zoals Kees Fens ooit zei: “Wij zien het klimop van eeuwen, de muur erachter
is onzichtbaar geworden.”
Aan de
hand van het verhaal van vandaag over de verschijning van Jezus aan het meer
van Tiberias zal een klein stukje van de muur zichtbaar worden gemaakt.
De
evangeliën ná Pasen vertellen ons over die verschijningen van Jezus aan zijn
leerlingen.
De
evangelist Johannes vertelt hoe Jezus voor de eerste keer verschijnt op de
avond van de eerste dag van de week. Zijn leerlingen zijn bang bij elkaar
weggekropen. En hoewel de deur op slot was, staat Jezus ineens in hun midden en
toont hun zijn handen en zijn zijde. Thomas was op dat moment niet aanwezig en
Jezus verschijnt voor de tweede maal wanneer ook Thomas aanwezig is en ook hij
komt tot zién. En Jezus verschijnt voor de derde keer aan het meer van Tiberias.
In deze
verschijningsverhalen lijkt het alsof Jezus de hoofdpersoon is. Hij is het
immers die, desnoods door gesloten deuren heen, voor zijn leerlingen staat en
hun zijn zijde en zijn handen toont. Toch gaat het in deze verhalen niet
allereerst om Jezus die zijn leerlingen a.h.w. het bewijs van zijn opstanding
toont. Maar het gaat om zijn leerlingen: hoe zij tot zién komen.
Want als
Jezus aan hen verschijnt, is er in het evangelie steeds sprake van zién: eerst,
zoals Johannes ons laat weten in zijn verrijzenisverhaal bij de leerling die
Jezus liefhad, vervolgens bij Maria Magdalena, en tot slot ook bij de ándere
leerlingen, inclusief Thomas Het zijn dus de leerlingen die centraal staan in
de verschijningsverhalen.
Aan het
meer van Tiberias heeft een aantal van Jezus’ leerlingen zich verzameld. Zo
vlak na de dood van hun vriend en leraar zullen zij zich verloren hebben
gevoeld. Wellicht ook bedreigt, omdat zij behoorden tot het gezelschap van
iemand die op wrede wijze door de autoriteiten werd geëxecuteerd. Zij staan
daar met lege handen.
Hun jaren
met Jezus: het heeft blijkbaar niks om het lijf gehad. Petrus, zo lezen we in
het evangelie, heeft dan ook slechts een onderkleed, een hemd aan. Maar vreemd
genoeg heeft de vertaler op dit punt een gekuiste versie nodig gevonden. Want
in de grondtekst lezen we dat Petrus niet eens in zijn hemd staat. Er staat dat
hij naakt was. Misschien droegen vissers in die tijd geen kleding als ze het
water opgingen om te vissen. Maar de naakte Petrus kán ook een uitbeelding zijn
van het gevoel dat de jaren met Jezus niets om het lijf hebben gehad. Niets was
beklijfd. Petrus stelt de anderen dan ook voor om te gaan vissen. Hij is
kennelijk van plan om terug te keren naar zijn oude bestaan als visser.
Wellicht kunnen zij dan met elkaar nog eens terugkijken op die roerige jaren
met Jezus. De anderen sluiten zich bij zijn plan aan. Maar dat blijkt niet zo
eenvoudig te zijn: die nacht, zegt het evangelie, vingen zij niets. Het
evangelie laat ondubbelzinnig weten dat de weg terug zeer moeilijk, zo niet
onmogelijk is.
Maar dan
wijkt de nacht voor het eerste licht van de morgen en degene die óns als Jezus
wordt aangewezen, verschijnt op de grens van donker naar licht. Misschien omdat
op dat tijdstip de vissers hun nachtwerk beëindigen; misschien omdat de grens
van donker naar licht beeld is van het proces waarin het de leerlingen gaat dagen
wat verrijzenis betekent….
Op het
woord van Jezus werpen zij het net opnieuw uit en nu raakt het vol en zwaar.
God
regeert de wereld met zijn Woord: dat Woord dat mensen aanspreekt en dat
bezielende kracht in zich draagt. Johannes schreef zijn evangelie rond het jaar
90 na Christus, zo ongeveer 60 jaar na de dood van Jezus. Het beeld van dat net,
vol en zwaar van vis, moeten we dan ook verstaan met op de achtergrond de tijd
waarin Johannes zijn evangelie schreef. Het bevat een verwijzing naar de jonge kerk
die toen snel groeide. Het waren er zovelen, dat de leerlingen niet bij machte
waren het net op te halen. Het Woord – waarvan de mysticus Ruusbroec zei – dat
het geen gewicht heeft, al draagt het
hemel en aarde in zijn kracht. Als de leerlingen deze bezielende kracht van Gods
woord bij zovelen gewaar worden, weten zij: “het is de Heer. Hij is aanwezig.”
Want het
frappante in dit verschijningsverhaal is, dat het moment dat de leerlingen
weten dat Jezus aanwezig is, niet het moment is waarop zij hem in fysieke zin
herkennen. Zoals op weg naar Emmaüs wordt hij ook hier niet herkend aan
uiterlijkheden als lichaamslengte, lichaamsbouw of haarkleur. Zijn
tegenwoordigheid wordt ingezien, als het net te zwaar is om op te halen. Zijn
aanwezigheid wordt gezien in de kracht van het Woord.
Als Petrus
hoort “Het is de Heer” springt hij het
water in. Verdwenen is zijn naakte gevoel dat de jaren met Jezus niets om het
lijf hadden. Hij trekt zijn opperkleed aan, zo staat in de grondtekst, en stort
zich in zee. Oftewel: Petrus doopt zich in Christus en bekleedt zich met
Christus.
Dan
verspringt het beeld dat de leerlingen hadden van degene die aan het meer
verschijnt.
“Hebben
jullie wat vis?” vraagt hij hen, als een gast-in-wording die mee wil eten van
de vis die zij gevangen hebben. Maar als zij aan land stappen, brandt er al een
vuur met vis erop en brood. Het is dus niet een gast; hij is de gastheer. Zoals
in Emmaüs neemt hij ook hier het brood en geeft het hun en zo ook de vis.
Op Zijn woord worden de netten in het water gegooid…
In Zijn
naam wordt vis en brood gebroken en gedeeld….
In woord
en teken is Hij tegenwoordig….
Hij is
tegenwoordig waar het Woord tot leven komt en wordt tot brood, tot voedsel voor
velen dat nooit opraakt. Zoals in het verhaal van de wonderbare
broodvermenigvuldiging.
Dit
verhaal is het verhaal van de leerlingen die het, op de grens van donker naar
licht, begint te dagen wat verrijzenis kan betekenen. Zij herkennen de
aanwezigheid van de Heer in de kracht van het Woord dat tot voedsel wordt voor
velen. Zij weten dan dat het de Heer is, maar, zo vervolgt Johannes, niemand
durft te vragen “ wie zijt Gij?”
God
blijft in het verborgene. “ Ik ben die Ik ben”, sprak Hij tot Mozes. Zijn
aanwezigheid is een verhulde aanwezigheid, is verborgen in de bezielende kracht
van het Woord dat zo tot leven komt en brood wordt voor velen.
De inhoud
van het paasgeloof van de leerlingen is niet allereerst dat er leven is na de
dood. Maar dat de weg van de gekruisigde Jezus het centrum van hun verdere
leven is. Niet als een man van weleer of als een dode, maar als een levende
aanwezigheid.
Marlies Roelofs
|