
| Meditatieviering Vastentijd - 10 februari 2008 |
|
Meditatieviering Vastentijd – 10 februari 2008 Marlies Roelofs Drie teksten uit de 19e eeuw, 5e eeuw en 21e eeuw en het Woestijnlied Tekst 1 Uit: ‘Overwegingen over de christelijke leer’ van John Henry kardinaal Newman (1801-1890)
O mijn
Heer en God, Gij alleen zijt sterk, Gij alleen zijt heilig. Gij zijt de
heiligheid en de kracht van alle dingen (…) . Mijn God, als Gij de kracht van
alle geesten zijt, wat zijt Gij dan mijn kracht bij uitstek! Hoe waar is het –
en wel zo dat niets méér waar is - dat
ik geen kracht heb dan in U! Ik heb het diepe innerlijke gevoel, mijn God, dat
ik, telkens als ik aan mijzelf wordt overgelaten, de verkeerde kant opga. Zo
zeker als een steen op de grond valt wanneer hij wordt losgelaten, even zeker
vallen mijn hart en mijn geest hopeloos neer wanneer ze door U worden
losgelaten. (..). Wat is het vreemd, maar wat is het ook waar, dat al mijn
natuurlijke neigingen gericht zijn op traagheid, op onmatigheid, op het
verwaarlozen van de vroomheid, op het verwaarlozen van het gebed, op liefde
voor de wereld, niet op liefde voor U, of liefde voor de heiligheid, of liefde
voor de zelfbeheersing. Ik keur goed en loof wat ik niet doe. Mijn hart loopt
achter nutteloze dingen aan en ik richt mij naar de dood, ik richt mij naar
bederf en ontbinding, los van U, onsterfelijke God.
Mijn God,
ik heb genoeg ervaren hoe vreselijk de slavernij van de zonde is. Als Gij er
niet zijt, merk ik dat ik mijzelf niet kan beheersen, hoezeer ik het ook wil.
Dan val ik in handen van mijn eigen koppigheid, trots, zinnelijkheid en
egoïsme. En zij krijgen iedere dag steeds meer vat op mij, totdat ik er geen
weerstand meer aan kan bieden. Mettertijd wordt de oude Adam in mij zo sterk
dat ik een pure slaaf word. Ik beken dat dingen verkeerd zijn die ik niettemin
toch doe. Vol bitterheid betreur ik mijn slavernij, maar ik kan er niet los van
komen.
(…)
Omwille van uw zo kostbare verdiensten en bij uw almacht smeek ik U, mijn Heer,
geef mij leven en heiligheid en kracht! Heilige God, geef mij heiligheid;
sterke God, geef mij kracht; onsterfelijke God, geef mij volharding. Heilige
God, heilige Sterke, heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.
Tekst 2
Uit een preek van
Petrus Chrysologus, bisschop van Ravenna uit de vijfde eeuw
Drie
dingen zijn er (….) die ons sterk maken: gebed, vasten en barmhartigheid. (…)Gebed,
vasten en barmhartigheid: deze drie zijn één, zij geven elkaar het leven.
Immers,
de ziel van het gebed wordt gevormd door het vasten en het vasten leeft pas
echt als wij barmhartigheid betonen. Laat niemand deze drie uit elkaar trekken,
want zij willen niet gescheiden worden.
(…)
Wie
goedheid wil ervaren, moet goed doen. Wie verlangt dat men geeft, moet zelf
geven. Wie voor zichzelf vraagt wat hij een ander ontzegt, vraagt op de
verkeerde manier.
Voor ons
als mens moet dit de norm van onze barmhartigheid zijn: je ondervindt
barmhartigheid zoals je wilt, zoveel als je wilt en zo vlug als je wilt, maar
heb dan medelijden met anderen, ook zo, even veel, even vlug.
Gebed,
barmhartigheid en vasten: ons ene drievormige gebed. (..)Maar barmhartigheid is
onmisbaar. Want vasten brengt geen vrucht voort, als de akker niet besproeid
wordt met barmhartigheid. Het vasten kwijnt weg, als de barmhartigheid
opdroogt. Wat de regen is voor het land, dat is de barmhartigheid voor het vasten.
Iemand die vast, kan wel zijn gezindheid verzorgen, zijn vlees zuiveren,
ondeugden uitroeien en deugden zaaien, maar als hij de barmhartigheid niet laat
stromen, oogst hij geen vrucht.
Als jij
vast en jouw barmhartigheid vast ook, dan lijdt jouw akker honger. Maar als je
vast en uit barmhartigheid rondstrooit, dan vult zich daarmee jouw schuur in
overvloed. Lijd daarom geen verlies door te bewaren, maar verzamel door te
geven. Geef aan een arme en geef zo aan jezelf. Alleen wat je aan een ander
laat, zul je zelf bezitten.
Tekst 3
Uit: ‘ Ik beloof ze
allen te redden ‘ van Ton Lathouwers, zenmeester
In de
boeddhistische iconografie bestaat een afbeelding van de historische Boeddha
als strenge asceet: uitgemergeld, met holle ogen, een levens skelet. Ja, de
Boeddha heeft op zijn jarenlange zoektocht ook een periode gekend, waarin hij
innerlijke bevrijding hoopte te vinden door streng vasten. Maar opmerkelijk is
dat de werkelijke bevrijding voor hem pas plaatsvond toen hij had gebroken met
deze rigide praktijk. De voorstelling van de uitgemergelde Boeddha is dan ook
een waarschuwing: hier gaat het niet om.
Is elke
onthouding dan zinloos? Nee, je moet onthouding alleen in wijder perspectief
plaatsen. Ik wil dit verduidelijken met een verwijzing naar de eerste nobele
waarheden van de Boeddha: ‘leven is lijden’ en ‘de diepste oorzaak van dit
lijden is gehechtheid’.
Dit
betekent dat we ons volgens de Boeddha vastklampen aan wat niet het meest
wezenlijke is. Verlossing is dan ook nirvana dat letterlijk betekent het uitwaaien
van gehechtheid. Hoe gaat dat dan? Hoe moet dat dan? Allereerst door een
ommekeer van de fundamenten van ons bestaan. Nirvana is ommekeer. Het gaat
hierin om hetzelfde mysterieuze gebeuren dat in de joods-christelijke traditie metanoia heet. En, ten tweede, nirvana
is wat de Boeddha noemt ‘het pad van samen eruit’. Dus: innerlijke ommekeer
hangt fundamenteel samen met verbondenheid. Anders gezegd: de diepste ommekeer
moet zich onmiddellijk vertalen in onvoorwaardelijke solidariteit. Alleen in
dit perspectief krijgen Boeddha’ s woorden over onthechting hun werkelijke
betekenis. Onthechting is dan loskomen van elke fixatie omdat die fixatie ons
diepste wezen en diepste verlangen beperkt. Helaas is deze oproep ook in het
boeddhisme vaak versmald tot loskomen van materialisme, van hang naar seks, van
hang naar overmatig eten en drinken. Maar Nagarjuna, na de Boeddha de
belangrijkste boeddhistische figuur, wees er tweeduizend jaar geleden al op dat onze diepste gehechtheid die aan
woorden en begrippen is. Voor hem is onze grootste valkuil juist dat we de
onpeilbare grond van ons bestaan altijd weer willen vangen in definities en
denkkaders. Waar het dus bij onthouding, vasten, allereerst om gaat is het
opgeven van onze diepgewortelde neiging alles te willen vangen in zekerheden.
Voor deze neiging bestaat een Bijbels beeld: de wereld is gestold omdat wij
hebben gegeten van de boom van kennis.
Toen aan
de Boeddha gevraagd werd hoe gewone mensen in hun dagelijkse leven tot
uitdrukking kunnen brengen waar het ten diepste om gaat, zei hij een woord ‘ dana’
en dat betekent geven. Dana is tegengesteld aan willen bezitten,
gebruiken, zichzelf als middelpunt zien. Het is handen en voeten geven aan de
fundamentele ommekeer en het pad van samen eruit. Het is zich richten op de
ander, op solidariteit met anderen.
Misschien
kan vasten in de authentieke zin die het boeddhisme voorstaat ons helpen de
verwantschap met de christelijke traditie te ontdekken of om deze traditie met
nieuwe ogen te zien. De eerste gelofte die iemand moet afleggen die de Boeddha
wil volgen is dat ze haar of zijn lichaam en bloed zal blijven uitdelen aan
alle levende wezens, zolang het bestaan in ruimte en tijd zal voortduren. Het
is de ontroerendste uitdrukking die ik ken over vasten en grenzeloze
solidariteit. Het heeft mij geholpen de christelijke traditie met nieuwe ogen
en een nieuw hart te zien.
Marlies Roloefs
Woestijnlied
(t.
H. Oosterhuis/ m.A.Oomen)
Koor Geen
huis. Een tent nog niet eens.
Een hol, een steen voor mijn hoofd nog niet.
Geen hoop schroot.
Geen opengescheurd karkas van een karavaan.
Soms klanken die mij omarmen.
Woorden die mij bewaren.
Solo Een
spoor van stenen. Voetstappen, vage.
De zandverte in, de steenslag verte,
de blindmakende lichtverte,
de dronken van dorst en illusiemakende verte,
dronken van wellust.
Eindelijk land dat bewoonbaar is verte.
Bomen, water, vredestad-verte.
Er zal groot licht zijn verte (“Hem zien”).
Niets is onmogelijk en Hij
alles in allen, die verte.
Drie dagen gaan door het donker en dan?
Koor Strelende,
tartende, hartstocht oplaaiende
naam voor dat laatste eeuwig beloofde land van de vrede,
waar het niet slecht is, waar liefde kan.
Koor-allen Strelende,
tartende, hartstocht oplaaiende
naam voor dat laatste eeuwig beloofde land van de vrede,
waar het niet slecht is, waar liefde kan.
Solo Daarheen,
als een vreemde die mee mag,
dansend en springend mijn zingen.
Daarheen wil mijn hart, als een kind
dat licht en niet wetend vooruitrent,
dan schoorvoetend, vallend,
gelaten
in zijn vader verandert en niet meer opstaat.
Spoor van doden. Verstenende namen.
Runenschrift van schaduwen, windvlagen,
elkaar kruisende, elkaar uitwissende sporen.
Sporen tussen steenslag.
Weg die ik gaan moet en dan?
Koor Strelende,
tartende, hartstocht oplaaiende
naam voor dat laatste eeuwig beloofde land van de vrede
waar het niet slecht is, waar liefde kan.
Koor–allen Strelende,
tartende, hartstocht oplaaiende
naam voor dat laatste eeuwig beloofde land van de vrede,
waar het niet slecht is, waar liefde kan.
Koor Geen
huis. Een tent nog niet eens.
Een hol, een steen voor mijn hoofd nog niet.
Geen hoop schroot.
Geen opengescheurd karkas van een karavaan.
Soms woorden die mij bewaren,
spoor van namen die mij wijzen,
adelaarsvleugels die mij dragen tot bij Hem. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|