Advertisement
Tso'arviering - 2 december 2007

Tso’arviering – 2 december 2007

Thérèse Beemster

Simeon en Hanna

In de Trouw van vorige week zaterdag werd met filosoof Theo de Boer een gedicht besproken onder de kop ‘Elk nu bergt nieuwe kansen’. Dat klinkt heel erg Advent, dacht ik! En ik werd nieuwsgierig. Het gedicht dat besproken werd heette: ‘Het magerebrugwonder’, van K. Michel. Ik zal er niet verder op in gaan, maar voor de liefhebber staat het ter overdenking in de Advent afgedrukt.

Wat opviel was dat het gedicht op het eerste gezicht qua tekst een zeer herkenbaar visueel plaatje biedt, maar bij tweede lezing ontstond de vraag, wat staat er nou eigenlijk, waarom leest Theo de Boer er ‘elk nu bergt nieuwe kansen?’ Ik geef het u graag mee!

De bijbeltekst van vandaag (Lucas 2, 21-40, zie hieronder) doet precies hetzelfde. We lazen over de besnijdenis van Jezus in de tempel van Jeruzalem. Een oude vrouw en een oude man zijn hierbij aanwezig.

Op het eerste gezicht  qua tekst een heel aardig visueel plaatje, maar wat staat er als we naar deze tekst willen kijken vanuit de Adventsgedachte van verwachten, of vanuit de gedachte van ‘een nieuw begin voor ogen hebben’? Vraag zou ook nog kunnen zijn of we vandaag op de eerste zondag van de Advent wel een tekst moeten lezen waarin het kind reeds geboren is? Ik geloof dat we die vraag positief kunnen beantwoorden als we in het bijzonder letten op de twee oude mensen: Simeon en Hanna. Ogenschijnlijk spelen ze een bijrol, maar misschien worden zij wel één van de hoofdrolspelers.

Hun verbondenheid met de tempel blijkt groot. Want van Simeon wordt gezegd dat hij door de Geest geleid naar de tempel ging en over Hanna staat er, zij was er altijd! En ook: Híj is rechtvaardig en vroom en zíj diende God met vasten en bidden.

 
I Accl. ‘Steeds weer zoeken mijn ogen naar U’

 
Het kind wordt binnengebracht in de tempel, maar is het het kind alleen waar het om draait? Of zijn het alle gegevens er omheen misschien, zoals de besnijdenis, de achtste dag en de tempel in Jeruzalem, die duidelijk moeten maken waar het om gaat?

Verteller Lucas kijkt in dit verhaal in zekere zin eerst achterom om daarna pas vooruit te kunnen kijken. Hij  plaatst dit kind in het midden van een reeds hele lange geloofstraditie. Een traditie van eeuwen die wordt bepaald door de belofte dat God zich een weg vlecht in de geschiedenis van mensen. ‘Ik zal er zijn’, klinkt zijn naam als belofte! Wat er ook gebeurt, ‘ik zal er zijn’!

Twee tempeldienaren voert Lucas op om te laten zien hoe die belofte gezicht kan krijgen in het leven van mensen. Twee tempeldienaren voert hij op om te ontdekken wat ook ons van Godswege te wachten staat!

Lucas geeft ze de namen Simeon en Hanna.

De naam Simeon betekent: “God hoort”. Er wordt God een eigenschap van horen toegedicht die duidt op actieve betrokkenheid op mensen. Op mensen die met beide benen midden in de werkelijkheid van het leven staan. Deze God hoort, deze God gaat niet buiten mensenlevens om. En Simeon maakt deze naam waar!

De naam van Hanna betekent: God geeft genade, God is goedheid voor de mens.

God, goedheid, mens, zij gaan hand in hand. En ook Hanna maakt haar naam waar!

Simeon en Hanna worden door Lucas tezamen opgevoerd, ze horen bij elkaar. Horen én genade geven, horen en goedheid, zij zijn onlosmakelijk verbonden als paar. Een ‘echt’ paar, zouden we kunnen zeggen.

De mensen in de tempel, en ook wij die de verhalen serieus willen nemen vertellen elkaar dat de mens naar Gods beeld geschapen is. In potentie is de mens een horende mens, een luisterende mens. In potentie is de mens in staat om genade te schenken om goedheid te brengen. En zoals Simeon en Hanna bij elkaar horen, zo kunnen horen en genade niet zonder elkaar. Horen draagt genade in zich. In het horen of het luisteren van mensen wordt genade geboren. Of met andere woorden: in horen en luisteren wordt het goede, wordt God geboren.

Om dit vertrouwen is het in de tempel van Simeon en Hanna te doen! ‘Steeds weer zoeken hun ogen en oren …….’

 
II Accl. ‘Steeds weer zoeken mijn ogen naar U’

 
Dialoog Simeon en Hanna, Monique en Diana (zie hieronder)

 
III Accl. ‘Steeds weer zoeken mijn ogen naar U’

 
Nunc Dimittis

Simeon neemt het kind meteen bij binnenkomst in de tempel op en spreekt de woorden: Laat nu uw dienaar in vrede gaan, zoals u hebt beloofd.’ Het kind dat Simeon draagt is nog kind, het kind dat hij opneemt moet nog worden die hij worden zal: een mens van horen en van genade geven. Simeon maakt nu pas echt naam. Hij met de naam ‘God hoort‘, wordt met het beeld van het in de armen sluiten van het kind, verbonden met ‘God met ons’. De oude man leeft in de tempel vanuit het verhaal dat God het er nooit bij laat zitten. De oude man heeft een levenshouding van horen, van verwachten en vertrouwen doorleefd. Niet voor niets! Het ‘God met ons’ wordt als een soort bevestiging van zijn geloven in de armen van Simeon gelegd: in dit beeld wordt bevestigd dat de belofte dat God met ons zal zijn, zichtbaar wordt in de houding van horen en luisteren. Het is God die zich op deze manier een weg wil vlechten door de geschiedenis van mensen. En vanuit dit Gods vertrouwen spreekt Simeon: ‘laat u uw knecht in vrede gaan’. Simeon kan loslaten, kan het leven laten gebeuren zoals het gebeurt. Onzekerheid en krampachtig hopen zijn voorbij. En Hanna? Zij bevestigt dit geloven in de zin van vrij worden. “Zij sprak over de jongen die in de armen van Simeon werd gedragen, tegen allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten”.

 
In Hanna en Simeon wordt ons duidelijk gemaakt dat Advent een leven lang proces is van luisteren en van vertrouwen en van aan het licht komen van genade. Met het in de armen sluiten van het kind wordt gezegd dat de goedheid die wij God noemen geen fictie zal blijken. Het kind in de tempel, God met ons, hoort in mensenarmen thuis! In mensen kan dit kind pas echt tot leven komen. In mensen kan dit kind steeds opnieuw geboren worden: God met ons!. Daar waar men dit kind koestert en wil dragen, vlecht God zich een weg door de geschiedenis van mensen.

 
Het is De Lofzang van Simeon geworden die dagelijks gezongen wordt in de completen, het avondgebed in de kloosters en in de Evensong van de Anglicaanse kerk.

Luisteren wij naar het

Nunc Dimittis van J. J. Wesley door St. Pauls Cathedral Choir.

 
Lucas 2, 21-40

Een week later, toen de tijd gekomen was dat hij besneden moest worden, kreeg hij de naam Jezus, die door de engel was genoemd voordat hij in de moederschoot werd ontvangen.

Toen de tijd gekomen was dat zij zich volgens de wet van Mozes moesten reinigen, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan te bieden aan de Heer, zoals in de wet van de Heer geschreven staat: “Al het mannelijke dat de moederschoot opent, zal de Heer worden toegewijd”, en om een offer te brengen, volgens de wet van de Heer: een koppel tortels of twee jonge duiven.

Daar in Jeruzalem woonde een zekere Simeon; het was een rechtvaardige en vrome man; hij verwachtte de vertroosting van Israël en op hem rustte heilige Geest. Door de heilige Geest was hem geopenbaard dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Messias van de Heer had gezien. Door de Geest geleid ging hij naar de tempel. Toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, nam hij hem in zijn armen en loofde God met de woorden:

 
         “Nu, Meester, laat u, zoals u hebt gezegd,

uw knecht in vrede gaan;

         want mijn ogen hebben uw heil gezien,

         dat u ten aanschouwen van alle volken hebt toebereid,

         een licht dat een openbaring zal zijn voor de heidenen

en een glorie voor uw volk Israël.”

 

Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat er van hem gezegd werd. Simeon zegende hen en zei tegen zijn moeder Maria: “Deze jongen zal velen in Israël ten val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn – ook door uw ziel zal een zwaard gaan – en zo zal onthuld worden wat er in velen harten omgaat.”

Ook was daar de profetes Hanna, een dochter van Penuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; na haar meisjesjaren was ze zeven jaar getrouwd geweest en daarna weduwe gebleven; nu was ze vierentachtig. Ze was altijd in de tempel en diende God dag en nacht met vasten en bidden. Juist op dit moment voegde ze zich bij hen; ze loofde God en sprak over de jongen tegen allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.

Toen zij alles hadden gedaan wat de wet van de Heer bepaalt, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. De jongen groeide op en werd steeds sterker, omdat hij vervuld werd van wijsheid en door God rijkelijk werd begunstigd.

 

Simeon en Anna, dialoog door Monique de Witte

 
Het is al zo lang geleden dat ik het stadse leven heb verruild voor de tempel. Natuurlijk, de stad is mooi en de mensen hebben het er best goed. Ik had een rijk leven kunnen hebben als ik mijn hart niet aan de tempel had verloren. Een vrouw, kinderen en een rijke woning. Een vooraanstaande positie in de stad. Mijn vader heeft nooit begrepen wat ik hier zocht. Natuurlijk hij kwam hier ook, maar meer omdat het moest of eigenlijk omdat het zo hoorde. Het hoorde erbij en hij ontmoette er zijn vrienden. Zij spraken over van alles en er werden zaken gedaan. Voor mijn vader was deze tempel een verlengstuk van de markt. Voor mij is het de plek waar hemel en aarde elkaar raken. Voor hem was dat bijzaak. Niet tastbaar genoeg. Maar voor mij was het van kinds af aan een bijzondere plek.

 

Dat geldt ook voor mij: zeven jaar had ik een man en sindsdien ben ik weduwe. Ik waakte hier op de plek die wij hebben gegeven aan God. Ik voelde dat ik hier wilde zijn en dat dat goed was. Ik kon het niet helemaal verklaren dat gevoel maar dat hoeft ook niet. Ik was hier thuis. En hoeveel mensen hebben we niet zien komen en gaan. Sommigen aan de rand van de tempel, zoals jouw vader, maar toch hoorden ook zij erbij. Ze vertelden ons hun verhalen, deelden hun zorgen. En in de tijd dat jij en ik hier gewacht hebben, hebben we veel levensverhalen gehoord. Het is toch wonderlijk dat mensen ons hun vertrouwen schonken en met ons deelden wat hen ten diepste beroerde. Hoe blij ze waren als er een kind werd geboren of een huwelijk gesloten. Of ook als de oogst goed was en de zaken voorspoedig gingen. Hoe verdrietig als het zo gewenste kind niet kwam,  er iemand overleed of als er ziekte in een gezin was of ontrouw en ruzie. Hoeveel tranen zijn er niet vergoten maar hoeveel hebben we ook niet gelachen Simeon. En steeds hielden we moed.

 

Het is een bijzondere plek. Dat zei ik toch. Waarom koos ik ervoor? Was het de geur? Waren het de geluiden? Gedempte stemmen, eigenlijk niet te verstaan, een vroom gemompel was het en ik ervoer het als een roes waarin ik wilde opgaan. Waren het plechtige gebaren? Was het het komen en gaan van mensen die op belangrijke momenten in hun leven, juist bij grote vreugde of verdriet, de tempel bezochten? Ik weet eigenlijk niet eens precies wat het was maar ik werd er door aangetrokken als door een magneet. Ik voelde dat ik hier thuishoorde. Dat ik hier wilde zijn en wilde proberen te leven dicht bij God. Dat hier de sleutel van het grote geheim lag. En zo maakte ik de keuze om mijn leven aan de tempel te wijden. Dicht bij de bron zo dacht ik en ik hoopte en verwachte.

 

En ik was er ook. Ik wist dat hier mijn hoop vervuld zou worden. En ik wachtte, nee ik verwachtte. Actief, niet afwachten met de armen over elkaar. Maar samen met de mensen die hier kwamen. Met hen sprak ik en wij hielden samen de hoop levend. Dat kun je niet alleen, dat moet je samen doen. En altijd kwamen de mensen weer terug om hun vriendschap te delen en hun trouw aan God te tonen. En jij en ik bleven hier. Wij bleven verwachten. Niet alleen voor onszelf maar uit naam van allen die leven in vertrouwen. Die geen genoegen nemen met de harde werkelijkheid, met onderdrukking en oorlog, met honger en armoede. Dankzij hen hield ik het vol en bleef ik vertrouwen. Dankzij hen leefde God hier bij ons in de tempel.

 

Ik droomde dat ik het zou meemaken. En zo werd ik over wie jullie in het oude boek lezen: een vroom man  die woonde in Jeruzalem en die uitzag naar de tijd dat God vertroosting zou schenken. Een vroom man word ik genoemd in het boek, alsof ik onwankelbaar rechtschapen ben. Maar ik ben maar een gewone man en ik werd ouder, en ouder. Ik zag niet meer zo goed en hoorde niet meer zo goed. Ik liep langzamer dan voorheen en de dingen van alledag begonnen me steeds meer moeite te kosten. En ik begon te twijfelen. Zeg nou zelf, het duurde en duurde maar. Had het allemaal wel zin gehad. Had ik het me verbeeld dat deze tempel bijzonder was. Ik dacht dat God een belofte had gedaan, een verbond met zijn volk. Ik wilde dat blijven geloven maar het werd steeds moeilijker. De dagen regen zich aaneen. En ik was opgehouden mijn jaren te tellen. De vrienden uit mijn jeugd waren allang gestorven en hun kinderen waren zelfs ook al op jaren. Het waren nu hun kleinkinderen die hun kinderen naar de tempel brachten op de voorgeschreven tijd. Dat waren mooie dagen. In ieder kind, in iedere mens gaat het verhaal verder. Maar ik, ik wachtte –het was me immers geopenbaard, zoals God ook met de profeten had gesproken- op die ene, de Messias.

 

Twijfel Simeon kennen we allemaal. Hoe vol vertrouwen je ook bent. En meer nog dan twijfel. Toen mijn man overleed was ik boos. De klachten van Job- je kent ze wel: ach was ik maar nooit geboren-  werden zo herkenbaar voor me. Ik was God kwijt maar was vergeten dat Hij er is, ook als ik het niet zie. Dat Hij niet de bron van mijn verdriet en pijn is maar met mij meetrekt ook in mijn verdriet. Ik werd getroost en ik vond mijn huis hier in de tempel ik vond hier rust en vrede maar ik bleef voelen dat er meer moest zijn. Dat er iets groots te gebeuren stond. Het was voor mij zeker dat ik dat zou meemaken. En nu, nu is het zover. Want hoe vol van vreugde zijn we niet na wat we zojuist hebben herkend?We zagen niet hoe het vroeger was en niet hoe het had kunnen zijn maar wat is. Het goede in het hier en nu. Dat wat we zochten al die jaren. We hebben het herkend in een mensenkind. Hoe God bij ons blijft, meetrekt en in mensen een naam krijgt. We hebben het kind gezien dat zijn sporen zal achterlaten als geen ander, dat geloven een nieuwe richting zal geven, dat tot ver na jou mij talloze mensen zal inspireren en gaande zal houden. Dat als geen ander de kracht van liefde zal voorleven.  Dus lieve Simeon, verwijl niet langer in het verleden.

 

Ja Anna, dit is de dag waarnaar wij hebben uitgezien. Ik herken wat je beschrijft. Ik zie het ook zo. Ik noem het: een licht dat geopenbaard wordt. Een licht waarin God zichtbaar wordt voor alle mensen. Dat licht Anna is in dat kind maar ook in jou en mij en in de mensen, ook in de mensen die na ons komen. En daarom kan ik nu vrede hebben. Daarom kan ik nu loslaten, ook mijn zo lange leven loslaten. Ik twijfel niet meer, mijn hoop en verwachting zijn vervuld. De God van onze voorvaderen, van Abraham en Isaac en Jacob,  en van de God van David, die ook onze God is en met wie wij al die jaren hier leefden, liet in dit kind zien dat Hij een God van mensen is voor nu en voor de toekomst. Ja Anna, het is goed.

   

Tekst ter overdenking in de Advent:

Het magerebrugwonder

 
De eerste twee boten passeerden vlot

maar de derde was een diep geladen aak

die zo traag naderde dat (cadeau Karin

pasta, room, boontjes, loodgieter bellen)

 

Plotseling doemt de aak dichtbij op

en zie ik dat hij geheel gevuld is

met water dat in springerige golfjes

uit het donkere ruim uit de boorden stroomt

 

Boven de wachtende mensen

is de moeheid van de werkdag uitgegroeid

tot een bijna zichtbare tros tekstballonnen

 

Verwikkeld in gedachten en beslommeringen

zien we niet dat uit de aak

al het water van de Amstel opwelt

Incognito drijft de bron van de rivier voorbij

 

K. Michel

Uit ‘Waterstudies’(1999)

 

 

 

 

 
< Vorige   Volgende >
© 2010 Tso'ar - inspiratie en inzet
Ontwerp: Repro- van de Kamp