
| Tso'arviering - 2 december 2007 |
Tso’arviering
– 2 december 2007
Thérèse Beemster
Simeon en Hanna
Toen de
tijd gekomen was dat zij zich volgens de wet van Mozes moesten reinigen,
brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan te bieden aan de Heer, zoals in de
wet van de Heer geschreven staat: “Al het mannelijke dat de moederschoot opent,
zal de Heer worden toegewijd”, en om een offer te brengen, volgens de wet van
de Heer: een koppel tortels of twee jonge duiven.
Daar in
Jeruzalem woonde een zekere Simeon; het was een rechtvaardige en vrome man; hij
verwachtte de vertroosting van Israël en op hem rustte heilige Geest. Door de
heilige Geest was hem geopenbaard dat hij de dood niet zou zien voordat hij de
Messias van de Heer had gezien. Door de Geest geleid ging hij naar de tempel.
Toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de
wet gebruikelijk is, nam hij hem in zijn armen en loofde God met de woorden:
uw knecht in vrede gaan;
want mijn ogen hebben uw heil gezien,
dat u ten aanschouwen van alle volken
hebt toebereid,
een licht dat een openbaring zal zijn
voor de heidenen
en een glorie voor uw volk Israël.”
Zijn
vader en moeder stonden verbaasd over wat er van hem gezegd werd. Simeon
zegende hen en zei tegen zijn moeder Maria: “Deze jongen zal velen in Israël ten
val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn – ook door uw
ziel zal een zwaard gaan – en zo zal onthuld worden wat er in velen harten
omgaat.”
Ook was
daar de profetes Hanna, een dochter van Penuël, uit de stam Aser. Ze was
hoogbejaard; na haar meisjesjaren was ze zeven jaar getrouwd geweest en daarna
weduwe gebleven; nu was ze vierentachtig. Ze was altijd in de tempel en diende
God dag en nacht met vasten en bidden. Juist op dit moment voegde ze zich bij
hen; ze loofde God en sprak over de jongen tegen allen die de bevrijding van
Jeruzalem verwachtten.
Toen zij
alles hadden gedaan wat de wet van de Heer bepaalt, keerden ze terug naar
Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. De jongen groeide op en werd steeds
sterker, omdat hij vervuld werd van wijsheid en door God rijkelijk werd
begunstigd.
Simeon en Anna,
dialoog door Monique de Witte
Dat geldt ook voor mij: zeven jaar
had ik een man en sindsdien ben ik weduwe. Ik waakte hier op de plek die wij
hebben gegeven aan God. Ik voelde dat ik hier wilde zijn en dat dat goed was.
Ik kon het niet helemaal verklaren dat gevoel maar dat hoeft ook niet. Ik was
hier thuis. En hoeveel mensen hebben we niet zien komen en gaan. Sommigen aan
de rand van de tempel, zoals jouw vader, maar toch hoorden ook zij erbij. Ze
vertelden ons hun verhalen, deelden hun zorgen. En in de tijd dat jij en ik
hier gewacht hebben, hebben we veel levensverhalen gehoord. Het is toch
wonderlijk dat mensen ons hun vertrouwen schonken en met ons deelden wat hen
ten diepste beroerde. Hoe blij ze waren als er een kind werd geboren of een
huwelijk gesloten. Of ook als de oogst goed was en de zaken voorspoedig gingen.
Hoe verdrietig als het zo gewenste kind niet kwam, er iemand overleed of als er ziekte in een gezin
was of ontrouw en ruzie. Hoeveel tranen zijn er niet vergoten maar hoeveel
hebben we ook niet gelachen Simeon. En steeds hielden we moed.
Het is
een bijzondere plek. Dat zei ik toch. Waarom koos ik ervoor? Was het de geur?
Waren het de geluiden? Gedempte stemmen, eigenlijk niet te verstaan, een vroom
gemompel was het en ik ervoer het als een roes waarin ik wilde opgaan. Waren
het plechtige gebaren? Was het het komen en gaan van mensen die op belangrijke
momenten in hun leven, juist bij grote vreugde of verdriet, de tempel
bezochten? Ik weet eigenlijk niet eens precies wat het was maar ik werd er door
aangetrokken als door een magneet. Ik voelde dat ik hier thuishoorde. Dat ik
hier wilde zijn en wilde proberen te leven dicht bij God. Dat hier de sleutel
van het grote geheim lag. En zo maakte ik de keuze om mijn leven aan de tempel
te wijden. Dicht bij de bron zo dacht ik en ik hoopte en verwachte.
En ik was er ook. Ik wist dat hier
mijn hoop vervuld zou worden. En ik wachtte, nee ik verwachtte. Actief, niet
afwachten met de armen over elkaar. Maar samen met de mensen die hier kwamen.
Met hen sprak ik en wij hielden samen de hoop levend. Dat kun je niet alleen,
dat moet je samen doen. En altijd kwamen de mensen weer terug om hun
vriendschap te delen en hun trouw aan God te tonen. En jij en ik bleven hier.
Wij bleven verwachten. Niet alleen voor onszelf maar uit naam van allen die
leven in vertrouwen. Die geen genoegen nemen met de harde werkelijkheid, met
onderdrukking en oorlog, met honger en armoede. Dankzij hen hield ik het vol en
bleef ik vertrouwen. Dankzij hen leefde God hier bij ons in de tempel.
Ik
droomde dat ik het zou meemaken. En zo werd ik over wie jullie in het oude boek
lezen: een vroom man die woonde in
Jeruzalem en die uitzag naar de tijd dat God vertroosting zou schenken. Een
vroom man word ik genoemd in het boek, alsof ik onwankelbaar rechtschapen ben.
Maar ik ben maar een gewone man en ik werd ouder, en ouder. Ik zag niet meer zo
goed en hoorde niet meer zo goed. Ik liep langzamer dan voorheen en de dingen
van alledag begonnen me steeds meer moeite te kosten. En ik begon te twijfelen.
Zeg nou zelf, het duurde en duurde maar. Had het allemaal wel zin gehad. Had ik
het me verbeeld dat deze tempel bijzonder was. Ik dacht dat God een belofte had
gedaan, een verbond met zijn volk. Ik wilde dat blijven geloven maar het werd
steeds moeilijker. De dagen regen zich aaneen. En ik was opgehouden mijn jaren
te tellen. De vrienden uit mijn jeugd waren allang gestorven en hun kinderen
waren zelfs ook al op jaren. Het waren nu hun kleinkinderen die hun kinderen
naar de tempel brachten op de voorgeschreven tijd. Dat waren mooie dagen. In
ieder kind, in iedere mens gaat het verhaal verder. Maar ik, ik wachtte –het
was me immers geopenbaard, zoals God ook met de profeten had gesproken- op die
ene, de Messias.
Twijfel Simeon kennen we allemaal.
Hoe vol vertrouwen je ook bent. En meer nog dan twijfel. Toen mijn man overleed
was ik boos. De klachten van Job- je kent ze wel: ach was ik maar nooit
geboren- werden zo herkenbaar voor me.
Ik was God kwijt maar was vergeten dat Hij er is, ook als ik het niet zie. Dat
Hij niet de bron van mijn verdriet en pijn is maar met mij meetrekt ook in mijn
verdriet. Ik werd getroost en ik vond mijn huis hier in de tempel ik vond hier
rust en vrede maar ik bleef voelen dat er meer moest zijn. Dat er iets groots
te gebeuren stond. Het was voor mij zeker dat ik dat zou meemaken. En nu, nu is
het zover. Want hoe vol van vreugde zijn we niet na wat we zojuist hebben
herkend?We zagen niet hoe het vroeger was en niet hoe het had kunnen zijn maar
wat is. Het goede in het hier en nu. Dat wat we zochten al die jaren. We hebben
het herkend in een mensenkind. Hoe God bij ons blijft, meetrekt en in mensen
een naam krijgt. We hebben het kind gezien dat zijn sporen zal achterlaten als
geen ander, dat geloven een nieuwe richting zal geven, dat tot ver na jou mij
talloze mensen zal inspireren en gaande zal houden. Dat als geen ander de
kracht van liefde zal voorleven. Dus
lieve Simeon, verwijl niet langer in het verleden.
Ja Anna,
dit is de dag waarnaar wij hebben uitgezien. Ik herken wat je beschrijft. Ik
zie het ook zo. Ik noem het: een licht dat geopenbaard wordt. Een licht waarin
God zichtbaar wordt voor alle mensen. Dat licht Anna is in dat kind maar ook in
jou en mij en in de mensen, ook in de mensen die na ons komen. En daarom kan ik
nu vrede hebben. Daarom kan ik nu loslaten, ook mijn zo lange leven loslaten.
Ik twijfel niet meer, mijn hoop en verwachting zijn vervuld. De God van onze
voorvaderen, van Abraham en Isaac en Jacob,
en van de God van David, die ook onze God is en met wie wij al die jaren
hier leefden, liet in dit kind zien dat Hij een God van mensen is voor nu en
voor de toekomst. Ja Anna, het is goed.
Het
magerebrugwonder
maar de derde was een diep geladen aak
die zo traag naderde dat (cadeau Karin
pasta, room, boontjes, loodgieter bellen)
Plotseling doemt de aak dichtbij op
en zie ik dat hij geheel gevuld is
met water dat in springerige golfjes
uit het donkere ruim uit de boorden
stroomt
Boven de wachtende mensen
is de moeheid van de werkdag uitgegroeid
tot een bijna zichtbare tros
tekstballonnen
Verwikkeld in gedachten en beslommeringen
zien we niet dat uit de aak
al het water van de Amstel opwelt
Incognito drijft de bron van de rivier
voorbij
K. Michel
Uit ‘Waterstudies’(1999)
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|