
| Tso'arviering - 21 juni 2009 |
|
Tso’arviering – 21 juni 2009
Thérèse Beemster
Het leven in juni
Voorbede
Enige,
Jij die alle namen hebt geschreven in de palm van je hand
Wees
aanwezig als de broodnodige levensadem,
opdat wij
leven in het vertrouwen dat wij bij naam genoemd worden
en weten
‘jij mag er zijn’, wat er ook gebeurt.
Enige,
Jij, die alle namen hebt geschreven in de palm van je hand
Leer ons
van aangezicht tot aangezicht elkaar ontmoeten.
Sterk
onze houding in het onvoorwaardelijk tegemoet treden van hen die ons levenspad kruisen!
Ook als ons hart er niet direct voor open staat.
Enige,
Jij die alle namen hebt geschreven in de palm van je hand
Leer ons
verstaan hoe wij helend met elkaar verbonden zijn.
Maak ons
creatief in het omhoog halen van het allerbeste in elkaar, opdat wij allen tot
volle bloei komen en jij ten leven.
Houdt
hoog in ons: dat wat jij verbonden hebt, de mens niet zal scheiden.
Enige, voor jouw Aangezicht gedenken wij onze
levenden en onze doden, naam voor naam
allen met wie wij zijn, kinderen ons toevertrouwd,
Vrienden dichtbij en ver
Allen die ons aanbevolen zijn
Dat wij hen zouden noemen voor jouw Aangezicht.
Reflecties
Bij de opening
van de Calvijntentoonstelling ‘ Calvijn en wij ‘op 7 mei in Dordrecht, tgv zijn
500ste geboortedag, droeg dichter des vaderlands Ramsy Nasr, een
eigen geschreven Psalm voor. Geen vertaling van een bestaande Psalm, maar een prachtig
gedicht in woorden van iemand die de bijbel verstaat als metaforen door
mensenhanden geschreven. U zult kunnen begrijpen dat na zijn aandeel bij deze
opening, enige commotie is ontstaan. Commotie omdat het verstaan van bijbelse
taal als metaforen geen gemeengoed is. Denken wij hierbij aan de recente
discussie in dit Darwinjaar over het scheppingsverhaal. Maar naast commotie
over interpretatie, blijkt ook, dat indien men wel open staat voor poëtische taal
en metafoor van de Schrift, dat nog niet één twee drie gemakkelijk is hoe deze
te verstaan. Inzicht in bijbelverhaal of poëzie vragen beide om misschien wel
evenveel oefening!
Om
gevoeligheid voor deze taal te vergroten laten we ons vandaag in het bijzonder
leiden
door
poëzie. Een viering met het Vierjaargetijdenkoor vraagt sowieso meer aandacht
voor de taal als poëzie vanwege de liederen die worden gezongen. Maar vandaag
doen we er een schepje boven op en plaatsen het gedicht: ‘Het leven in juni’ van
Marjoleine de Vos in het centrum.
Het leven
in juni is een gedicht dat bij mij bleef hangen omdat het direct associaties
met het scheppingsverhaal opriep. Niet dat dit gedicht daardoor een christelijk
godsdienstig gedicht genoemd mag worden. Dat zou een belediging van de dichter kunnen
zijn. Maar het gedicht ademt ervaring van mens zijn, opent een beeld van de
mens zoals wij dat ook kunnen waarnemen in het scheppingsverhaal.
In het
gedicht is alles bruisend en luidkeels in leven! De boer op zijn maaier,
blatende schapen, in de esdoorn een vlaskop die roept om een vrouwtje, uit
bloemkelken klinkt het geronk van een bij. Alles spreekt, maakt geluid naar
eigen aard!
De natuur
is op zijn hoogtepunt: in bloei, het is zomer! Bij een dergelijke mooie omschrijving
van de natuur komt bij mij het citaat uit het scheppingsverhaal naar boven: ‘En
God zag dat het goed was’.
Zo mooi
als de natuur is in strofe één, zo eenzaam blijkt de verteller in strofe twee: ‘en
ik leef ook maar moet dat zelf zeggen, want niets noemt mij.’ Of we deze zin moeten
lezen als: ‘ik leef ook maar’, óf als ‘ik leef ook, maar moet dat zelf zeggen’,
dat laat de dichter in het midden. Een mogelijk antwoord op de gemoedstoestand
van de verteller ligt misschien in de woorden:
‘Want
niets noemt mij’! Deze zin moest ik een paar keer herhalen. Deze zin roept zo
veel klank op aan Bijbelse taal. “Want niets noemt mij’, schrijft de verteller.
Blijkbaar wordt leven van de ik figuur in het gedicht pas echt leven op het
moment dat zij genoemd wordt. ‘Noem mij, noem mij, spreek mij aan’, spreekt ook
Neeltje Maria Min in het gedicht ‘voor wie ik lief heb’. Of bij Jesaja die
zegt: ‘Onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand’. Of ‘ken je ze bij
name, dan ben jij de Enige’ wat wij zongen met woorden van Oosterhuis in het
openingslied. Gekend worden, bij naam genoemd worden, daar gaat het blijkbaar
om, ook in het gedicht van Marjoleine de Vos.
De
wereld, het leven, de natuur zij kunnen overweldigend zijn. Je kunt schoonheid
en mensen om je heen ervaren. Maar een mens kan door nog zo veel schoonheid
omgeven worden, toch wordt geluk blijkbaar niet bepaald met louter omringd zijn
door schoonheid en door mensen zonder meer. ‘Want niets noemt mij’ schrijft de
dichter.
Muziek
Het leven
in de natuur wordt in het gedicht als prachtig omschreven, de woorden hebben
dit leven uitbundig laten klinken met alle vormen van leven en geluid die er
kunnen zijn. Een top moment in de natuur! Maar aan het einde van het gedicht
vindt er iets bijzonders plaats. De ik-figuur voelt zich niet gekend, leeft
niet echt, wordt niet benoemd. Ook uit het verleden spreekt een niet gekend
worden mee. Het vakantiegezelschap herinnert zich haar niet, kent haar niet.
‘Was jij er bij?’ wordt gevraagd.
Bij al
het moois dat zij waarneemt in de natuur, voelt de ik figuur uit het gedicht
zich toch eenzaam en alleen.
‘Dus ben
ik alleen in de tuin in de wereld’, staat er. Klinken hier niet woorden mee uit
het scheppingsverhaal wanneer we lezen dat Adam leeft te midden van al het
moois en goede dat is geschapen?
‘Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld’. We
zouden het Adam kunnen horen zeggen. Adam, de eerste mens die alleen was. Maar
deze mens bleef niet alleen.
God sprak
dat hij voor de mens een hulp zou maken die bij hem past. Prompt wordt na het
scheppen van de Adam uit deze mens de andere mens geschapen. Mannelijk en
vrouwelijk zouden ze zijn. Ook hier houden we de poëtische taal hoog en kunnen we
verstaan dat het mannelijk en het vrouwelijk geschapen zijn betekent, dat de
ene mens complementair is aan de andere mens. Complementair, als de ene mens die
staat naast de andere mens om elkaar heel te maken, om elkaar tot mens te maken.
Door elkaar te ontmoeten van aangezicht tot aangezicht, door met elkaar te
spreken van mens tot medemens en te zeggen: ‘jij mag er zijn, wat er ook
gebeurt, wat er ook gebeurd kan zijn. Zoals God Mozes ontmoet van aangezicht
tot aangezicht, zo ontmoet de mens zijn medemens. of met andere woorden gezegd:
naar zijn beeld schiep hij hen. Mens worden, een heel mens worden in bijbelse
zin, geschiedt dóór mensen vóór elkaar in onvoorwaardelijk ontmoeten.
Leven
naar het beeld van God komt tot zijn recht wanneer we scheppingswoorden eigen
maken en roepen naar de ander: Ik wil dat je leeft, ik blaas levensadem in je
neus opdat jij het in het leven niet benauwd krijgt.
De
schepping is mooi, in principe is de schepping goed. Maar het zijn de mensen
die in relatie tot elkaar de schoonheid van de schepping en elkaar, goed houden
en tot leven brengen. Van aangezicht
tot aangezicht. ‘Wat God verbonden heeft zal de mens niet scheiden’, schrijft ook
Marcus in zijn evangelie
In het
gedicht lezen we ook over de goede mooie schepping. Alles ademt, en spreekt
naar eigen aard. Maar zij, de ik figuur, is alleen in de tuin in de wereld. Die
ene mens, omgeven door zoveel schoons, blijkt eenzaam. De schone schepping
alleen blijkt te weinig om van leven te kunnen spreken. En zoals in het
scheppingsverhaal de ene mens naast de andere wordt geschapen als een
relationele eenheid waardoor leven mogelijk wordt, zo beschrijft Marjoleine de
Vos hoe de ene mens tot leven komt als deze zich gekend weet door de andere
mens. Door hém in het huis. ‘Dit is het leven’ schrijft hij en ziet haar in de
tuin. Zij wordt gekend! Hij schrijft, hij maakt geen geluid zoals de andere
elementen in de natuur geluiden maken. Hij gebruikt het woord, hij schrijft,
hij spreekt een principe uit: er is sprake van leven wanneer hij zich richt op
haar in de tuin, wanneer hij haar ziet staan.
Het
klinkt goddelijk die mansfiguur in het huis. Het huis van ontmoeting, van
leven, van aangezicht tot aangezicht. De schoonheid van de schepping krijgt dan
pas kleur en komt tot leven: hij benoemt haar. Zij in de tuin in de wereld. Zij
wordt gekend.
Bij het
lezen van dit gedicht ‘het leven in juni’, lijkt het alsof het Bijbels
mensbeeld ons in taal van 2008 opnieuw verhaald wordt. Van aangezicht tot
aangezicht, zoals de mens spreekt tot zijn medemens: jij mag er zijn!
Thérèse Beemster
Het leven in juni
Om mij
heen is alles luidkeels in leven
|
| Volgende > |
|---|