|
Tso’arviering – 22 juni 2008
Marlies Roelofs
Hoop
Psalm 130, de eerste tekst, is een tekst over hoop. Hoop groeit misschien wel altijd in situaties van verdrukking. Hoop ontstaat op het scherpst van de snede. Deze psalm als een tekst die licht bracht in een kritieke situatie, is aangedragen door iemand met een Tsjechische achtergrond. Toen haar land zich in grote problemen bevond, bracht de tekst van psalm 130 haar uitzicht. Ik vertel nu eerst in háár woorden over de situatie waarin deze psalm voor haar tot leven kwam.
Het is voorjaar 1968. De Praagse lente.
De Tsjechen geloven in verandering en gaan met elkaar enthousiaste gesprekken aan over hoe het verder moet met hun land, hun politieke systeem, hun geloof. Een dialoog, oprecht, bezield, voorbij de misère van het verleden, met hoop op een betere toekomst.
De protestantse theologische Comeniusfaculteit in Praag organiseert een serie openbare discussies. Protestantse en katholieke theologen in gesprek met marxistische, niet gelovige filosofen. Heeft religie, heeft God een plaats in een socialistische maatschappij? En welke dan? Hoe moet je God dan zien? Wat is zijn meerwaarde?
Een ruimte stampvol met knappe professoren, maar ook met veel jonge studenten zoals ik, op de stoelen, op de grond zittend. Een geweldige sfeer, zonder vrees waar in openheid met niet- gelovigen wordt gesproken over God en godsdienst, veel licht, voorjaarszon door de ramen van de historische ruimte, een gevoel van verbondenheid.
De man achter de dialoog, Professor Hromádka, een slanke, grijze gestalte van in de tachtig, neemt het woord. “Onze God, hoe leer je hem kennen in onze samenleving, in onze tijd van jong en oud, van gelovig maar vooral ongelovig, wat is het meest kenmerkende?
Als je nu eens kijkt naar wat de psalmist in Psalm 130 zegt:
‘Uit de diepte van mijn ziel roep ik tot Jou, Heer,
Heer, hoor mijn stem aan!
Als Jij onze ongerechtigheden zou gaan wegen wie zou het doorstaan?
Maar bij Jou is barmhartigheid en daarvan leven wij.’
Dát is onze God. Hoe diep je ook zit, je kán hem aanroepen. En al weet je dat je niet recht hebt gedaan, dat je te licht bevonden zal worden, je kan verder met je leven, vanuit en in zijn barmhartigheid. En dat geldt ook voor de mensen om je heen.”
De mooie woorden van deze psalm, niet een alledaagse lectuur voor een student. En dat de grijze, oude man juist dit beeld van God kiest om aan de niet-gelovigen door te geven. Deze uitmuntende geleerde, maar ook dialoogzoeker en doener, met een zwaar leven achter zich maar positief over de toekomst, straalt een waardigheid en mildheid uit als van een profeet. En zíjn God, ónze God, is niet een machtige, strenge, oordelende en afstandelijke, maar een aanspreekbare en barmhartige God.
Het maakt op mij een onvergetelijke indruk.
Het liep niet goed af met de Praagse lente en de Professor stierf diep teleurgesteld kort daarna. Maar zijn profetie bleef.
Jaren later in een Nederlandse kerk leest de voorganger in Psalm 130 verder:
“Ik zie uit naar U, Heer, zoals een wachter in nacht uitziet naar het eerste licht van de morgen.”
En weer denk ik aan mijn studententijd, aan de nachten bij het kampvuur, aan het donkerste stille moment van de nacht en het eerste schemer daarna. Maar nu heb ik, net als die wachter, meer verantwoordelijkheden om over te waken dan toen. Meer besef van moeilijke bedreigende situaties ook, van wat er kan misgaan als je in je eentje voor een moeilijke taak komt te staan. Net als die wachter kan je niet weglopen en je voelt je soms in het donker gewoon benauwd... Hoe moet het allemaal… Maar het moment van licht komt, het komt zeker, je kunt ernaar uitzien!
En zo is Psalm 130 mijn tekst.
Mijn diepten, mijn ongerechtigheid, mijn angst in een donkere nacht, ze mogen er allemaal zijn, ze mogen allemaal worden ervaren, benoemd, voorgelegd. En er is leven, er is een volgende lichte ochtend.
Want bij onze God is barmhartigheid en daarvan leven wij.
Tekst psalm 130
Een pelgrimslied
Uit de diepte roep ik tot U, Heer,
Heer, hoor mijn stem,
wees aandachtig, luister naar mijn bidden en smeken.
Als U de ongerechtigheden blijft gedenken, Heer,
Heer, wie houdt dan stand?
Maar bij U is barmhartigheid,
daarom heeft men zo’n eerbied voor U.
Ik kijk uit naar de Heer,
met heel mijn hart kijk ik naar Hem uit;
ik wacht in vertrouwen op zijn woord.
Mijn hart kijkt uit naar de Heer,
meer dan wachters uitkijken naar de ochtend,
dan wachters naar de ochtend.
Israël, hoop op de Heer!
Bij Hem is liefde,
bij Hem is bevrijding, altijd weer.
Hij zal Israël bevrijden
uit al zijn ongerechtigheden.
Tekst gebaseerd op de Nieuwe Bijbelvertaling, de Willibrordvertaling
en de vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap.
Ontsteken van het licht
Koor:
Soms breekt Uw licht
In mensen door, onstuitbaar,
Zoals een kind geboren wordt.
Gedenk de mens die wordt genoemd Uw kind,
Uw koninkrijk, uw licht.
Geen duisternis heeft ooit hem overmeesterd,
Geen duisternis heeft ooit hem overmeesterd.
Gedenk ons die als hij geboren zijn,
Eens en voorgoed, die uit zijn mond
Uw naam hebben gehoord.
Die moeten leven in de schaduw van de dood,
Die moeten leven in de schaduw van de dood.
Hem achterna
Liefde
De tweede tekst gaat over verbondenheid. Verbondenheid groeit uit liefde. Degene die deze tekst heeft aangedragen zegt daarover: “ik vind het een hoopvolle tekst. Het geeft de intense verbondenheid weer die ik voel met mensen waar ik van houd en heb gehouden. Die verbondenheid gaat over de dood heen en dat is troostend en tegelijk hoopvol. Deze tekst heeft me diep geraakt en herlees ik vaak omdat de inhoud de kerk van ons leven raakt.”
Verbondenheid raakt de kern van ons leven. Een aantal jaren geleden las ik in een krant een kort verslag over een onderzoek over de trek naar het Westen. Een onderzoek naar de leefsituatie van de pioniers van het land dat we nu kennen als de V.S. van Amerika. Uit dat onderzoek bleek dat de kans voor vrouwen om die gevaarlijke tocht te overleven aanzienlijk groter was dan voor mannen. Niet omdat vrouwen in wat voor opzicht dan ook sterker zouden zijn dan mannen. De verklaring die voor dit feit gegeven werd was dat vrouwen de zorg hadden voor kinderen, kleinkinderen, ouderen. Zij leefden meer dan mannen in verbondenheid. Die verbondenheid hield hen gaande, hield hen op de been. Verbondenheid raakt de kern van ons leven. Het gedicht van Johanna Kruit gaat over die verbondenheid die zelfs over de dood heen voortbestaat.
Gedicht Johanna Kruit
Ik zal je goed onthouden
als je allang voorbij zult zijn
droom ik je door
en alles wat er was en is
zal ik blijven zien
zodat jij later
als jij mij herkent
meteen zult weten dat je
zo onthouden bent
als ik je heb gezien.
Ontsteken van het licht
Koor: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Allen: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Laat ons verheugd en vol ontzag,
voor Hem zingen dit lied, voor Hem die leeft.
En dat wij oprechte liefde hebben voor elkaar:
Koor: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Allen: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Op deze plaats bijeengekomen,
laat ons nu een van geest zijn,
onverdeeld van hart.
Weg alle harde woorden, wrok en tweespalt.
Dat in ons midden liefde woont, God zelf.
Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Mogen wij zien, met allen die al dáár zijn,
verheerlijkt in het licht, uw Aangezicht
onmetelijke vreugde, zekerheid
waaraan in eeuwigheid geen eind zal komen.
Koor: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Allen: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.
Geloof
De derde tekst van Nico Tromp gaat over geloven.Vroeger een vanzelfsprekendheid, tegenwoordig een vraag. De tekst wil een lans breken voor ruimte want “nieuwe tijden zingen ons een nieuw lied”. Degene die deze tekst aandroeg zei het volgende hierover: “deze tekst verwoord voor mij een grote mate van positiviteit voor het nieuwe wat klein begint, anders van vorm is dan we gewend zijn, maar aanslaat en verder verteld wordt en moet worden. Het zet iets positiefs neer als vervanging voor angst voor iets nieuws. Het is ook een aanzet tot echt nieuw denken, wij leven niet meer als vroeger en passen dus ook niet meer in een jas van vroeger, willen we overleven in de kerk, en dan bedoel ik, willen wij de mensen anno 2008 iets meegeven van een andere dimensie, dan moeten we andere taal en vormen verzinnen”.
Hier sluit een ándere tekst op aan. Een tekst van Charles Pallister uit The Quincunx en die benadrukt ook het gevaar om in oude patronen te blijven hangen:’
“De aaneenschakeling van gebeurtenissen is altijd ingewikkelder en onverklaarbaarder dan wij willen geloven. We mogen niet vergeten dat een patroon – of het nu in het verleden of in de toekomst ligt, altijd willekeurig en onvolkomen is, in die zin dat het altijd kan veranderen, of een uitbreiding van het oorspronkelijke kan zijn. Het mag waar zijn dat we niets kunnen begrijpen zonder het patroon te hebben, maar pas op dat je niet een patroon schept in plaats van er een te ontdekken.”
Authentiek
de erfenis van het verleden drukt ons neer
wij zijn door plaats en tijd beperkt
wij zijn de mensen van voorheen niet meer
het is de mens van nu die denkt en kerkt
wij zijn gebonden aan de rechte leer
die ons als norm van vroeger is gegeven
wij leven daar en toen niet meer
veel is veranderd in wat is gebleven
sluit ons niet op in lang belegen wetten
geef ons ruimte met de tijden voort te gaan
tracht niet de klokkenwijzers vast te zetten
en wil de noden van ons zoekend hart verstaan
de grote woorden zijn aan vroeger tijd gebonden
hun taal en inspiratie zijn de onze niet
ook ’t ware woord is ergens ooit gevonden
en nieuwe tijden zingen ons een nieuw lied
de goede geest werkt voort in onze dagen
God blijft ook nu nog ondoorgrondelijk nabij
dus laat de geest ons vrijuit verder dragen
hij leidt naar waarheid hij maakt vroom en vrij
Koor: Ik zal niet rusten
Ik zal in mijn huis niet wonen,
ik zal op mijn bed niet slapen,
ik zal mijn ogen niet dicht doen,
ik zal niet rusten geen ogenblik,
voordat ik heb gevonden:
een plek waar Hij wonen kan,
een plaats om te rusten voor Hem die God is,
de enige ware.
Een plek waar Hij wonen kan,
Een plaats om te rusten voor Hem die God is,
de enige ware.
Ik zal in mijn huis niet wonen,
ik zal mijn ogen niet dicht doen,
ik zal niet rusten, geen ogenblik,
ik mag versmachten vandorst,
tot ik gevonden heb:
een plek waar de doden leven, de plaats waar recht wordt gedaan
aan de verworpenen der aarde.
Een plek waar de doden leven, de plaats waar recht wordt gedaan
aan de verworpenen der aarde.
Stilte
Koor: Die mij droeg op adelaarsveugels,
Die mij hebt geworpen in de ruimte.
En als ik krijsend viel, mij ondervangen,
Met uw wieken en weer opgegooid.
Totdat ik vliegen kon, op eigen kracht.
Marlies Roelofs
|