|
Tso’arviering
- 3 februari 2008
Thérèse Beemster
Abram
wordt geroepen!
Reflecties
bij Genesis 12, 1-9
Inleiding
“De God van Israël is uniek onder de goden: hij is met
mensen in gesprek.” Dit was vorige week de kop in Trouw bij een artikel van
filosoof Govert J. Buijs. In dit artikel zegt Buijs, dat indien je de
joods/christelijke traditie wilt laten overleven, dat je dan het geloofsgoed
krachtig onder woorden moet brengen. En vandaag krijgen we daartoe een
bijzondere kans.
De verhalenvertellers van het Abramverhaal
proberen namelijk niet anders dan duidelijk te maken, met wat voor God Abram
van doen heeft ten opzichte van de bestaande goden.
In het verhaal over de roeping van Abram
wordt een beginnetje gemaakt met verhelderen hoe de God van Abram God kan zijn.
We hebben dit overbekende verhaal van de roeping van Abram verbonden met het
verhaal over zijn vlucht naar Egypte, dat er op volgt. Het combineren van deze
twee verhalen maakt het mogelijk, om het joods/christelijk gedachtegoed een
beetje meer handvatten voor vandaag te geven.
Reflecties
“De God van Israël is uniek onder de goden: hij is met
mensen in gesprek.”
En in dit
gesprek horen we deze God zeggen: ‘En wie
jou verwensen zal ik vervloeken’. Wat is dit voor een God die hier spreekt?
Deze versregel zou een citaat kunnen
zijn in de discussie over gewelddadige teksten in de Koran en de Bijbel. ‘En
wie jou verwensen zal ik vervloeken’. Wat voor toezegging doet God hier aan
Abram? Kan dit spreken ook voor ons van betekenis zijn, of relativeren we deze
tekst weg met de opmerking dat een bijbeltekst een tijdgebonden fenomeen is,
dat je niet al te letterlijk moet nemen?
Tijdgebonden
inderdaad en niet letterlijk nemen ook, maar lees en luister! Het is een tekst
voor ons!
Het
roepingsverhaal van Abram, is overbekend. Een goddelijke stem klinkt, een stem
die spreekt en oproept. Een stem die spreekt met de belofte van zegen, van land
en van een talrijk volk. Zo’n stem klinkt aantrekkelijk, schenkt veel
vertrouwen! Onder een dergelijke stem vol belofte kan je nauwelijks uit. En
bovendien met het vervloeken van degene die jou een flinke strobreed in de weg
leggen, die jou verwensen, móet het inlossen van die bijzondere belofte in
ieder geval wel tot de mogelijkheden behoren. Maar we voelen ons toch wat ongemakkelijk
bij een God die zo heftig partijdig is.
Abram
gaat op weg. Hij laat zijn familie los, hij gaat weg uit zijn huis, uit zijn
land. Hij laat alles achter, hij bindt zich aan niets meer dan aan een stem die
oproept weg te gaan en los te laten.
De eerste
eigenschapen van de God van Abram zijn gegeven: het is een God die spreekt, een
God die doet loslaten én vertrouwen geeft in het ongewisse dat de mens zal
omringen. We moeten niet vergeten dat de verhalenvertellers vertellen over een
geheel nieuwe dimensie ten aanzien van god en goden, dan toentertijd bekend
was. Met het verhaal over deze God wordt afstand genomen van de onderdrukkende
en onvrij makende goden. Er wordt afstand genomen van goden die veroorzakers
zijn van de dingen die gebeuren.
Abram laat
zich aanspreken door een stem die hem roept om op weg te gaan. Abram verlaat
zich alleen op deze stem. Maar wie zegt ons dat de stem van deze God niet
opnieuw van een soort god is waarvan men zich afhankelijk maakt, waaraan men
zich onderwerpt, aan wie men zich met zijn hele ziel en zaligheid overgeeft?
Wat is het andere van de God van Abram?
Abram
betreedt een voor hem nieuw land. Bij binnenkomst plaatst hij op verschillende
plekken een altaar, als offerplaats voor zijn God. Het vertrouwen in deze God is
dus heel groot. In alle windrichtingen van het land worden door Abram
offerplaatsen opgetrokken. Je zou kunnen zeggen: hij creëert als een soort
veroveraar offerplaatsen, waarmee hij wil markeren wat toebehoort aan zijn God.
Door het nieuwe land te markeren met offerplaatsen laat Abram zien dat het hem
ernst is met zijn God. Maar het wordt nog niet echt duidelijk of Abram wel zo’n
heel nieuwe andere God heeft ontdekt. Het vertrouwen dat hij nu heeft maakt hem
toch ook aardig ondergeschikt aan dit goddelijke gezag. Wat maakt nu het
verschil? Waarom is deze God zoveel anders dan de reeds bestaande goden. De
macht van de bestaande goden was er immers een van heersen en ondergeschikt
maken van mensen. Slaat Abram met de offerplaatsen eigenlijk geen piketpaaltjes,
als afbakening van een gebied voor een God die opnieuw heerst en die nb zegt:
‘ik zal hen vervloeken die jou verwensen?’
Abram
stelt op de eerste plaats vertrouwen in een God die spreekt. Met het beeld van
een sprekende God maken de verhalenvertellers duidelijk dat de toegesprokene
serieus wordt genomen. Met iemand in gesprek gaan betekent iemand serieus
nemen. De mens Abram wordt serieus genomen, hij telt mee! Er wordt tot hem
gesproken. Dit in tegenstelling tot de bestaande goden aan wie onderwerping van
de mens aan heerszucht en willekeur waren verbonden.
Maar met
de God van Abram maken we kennis met een omslag in de ervaring van leven en de
goden die dit leven beheersten. In de Abramverhalen is iets bijzonders aan de
hand. Het heersen van de ene God krijgt in de Abram verhalen een heel andere
kleur. De onderwerping aan deze God heeft een ander karakter.
De
houding van loslaten en vertrouwen op het onbekende door Abram, is een prachtig
begin om de God van Israël te leren kennen. Maar dit begin vraagt om meer. Het
verhaal over de vlucht naar Egypte, dat volgt, biedt ons een beetje meer
inzicht.
Er heerst
hongersnood in het nieuwe land van Abram. Dat is schrikken. Onverwacht
tegenslag op de weg. Dat had hij niet gedacht. De wegen met nieuwe God van Abram
is even wennen. Abram wordt geconfronteerd met een situatie waarvan men in het
natuurgodendom zou zeggen: het is de vloek van de goden, redt je zelf maar! Het
lijkt voor Abram wel alsof er een God is die hem niet welgezind is. Abram valt
terug in het patroon van het geloof in de oude goden. Hij laat het vertrouwen
op de stem waardoor hij is gegaan, los! Hij zoekt naar zekerheid en veiligheid
voor zichzelf. Hij is bang dat hem iets zal overkomen. Angst overheerst. Het
vrije gevoel is hij kwijt. Hij keert het nieuwe land de rug toe. Hij daalt af
naar Egypte, het land van de vele goden.
In de
afdaling naar Egypte kijkt Abram naar zijn vrouw Saraï en bedenkt dat haar
schoonheid ook de mannen in Egypte wel zal behagen. Hij is bang dat dat voor
hem wel eens niet zo goed zal aflopen. Misschien moet eerst hij uit de weg
worden geruimd, opdat de mannen vervolgens haar kunnen krijgen. Dat zal zijn
dood zijn, denkt hij. Hij wordt steeds angstiger. Er is niets meer over van het
open vertrouwen. Hij spreekt daarom met Saraï af dat zij niet zijn vrouw is,
maar zijn zus. Dan kunnen ze haar gewoon nemen en is het voor hem veilig.
Abram
zoekt zijn eigen veiligheid ten koste van zijn vrouw. Het maakt hem blijkbaar
niet uit hoe het haar zal vergaan in een harem met andere vrouwen, een harem
waar zij een van de vele wordt, naamloos! Abram kiest voor eigen leven ten
koste van dat van haar. Abram ontneemt Saraï levensruimte, hij kiest voor
zelfbehoud. Abram is ver afgedaald van de weg die hij op de roepstem is gegaan.
Nadat
Saraï inderdaad het huis van de farao is binnengehaald wordt Abram tegen zijn
verwachting in goed behandeld. Hij die alleen de veiligheid voor zich zelf op
het oog had gaat het goed. Over de rug van Saraï heeft hij zich als het ware
verrijkt. Hij krijgt ezelen, runderen, schapen, slaven en slavinnen. Welgesteld
wordt hij, maar wel ten koste van haar.
In
zelfkennis en mensenkennis zijn de verhalenvertellers van de schrift goed.
Loslaten en openheid ontwikkelen voor de dingen die gebeuren, blijkt niet makkelijk
voor een mens. In het afdalen van Abram naar Egypte wordt over deze zeer
menselijke eigenschap verteld. Veiligheid en zekerheid, behouden wat je hebt,
lijken op het eerste gezicht heilzaam. Het zijn prachtige beelden die vertellen
over leven in angst en zoeken naar zekerheid.
Maar het
verhaal met Abram gaat verder. Het karakter van de stem van de God van Abram
moet nog meer aan het licht komen! ‘En wie jou verwensen zal ik vervloeken’
heeft de stem immers gesproken.
‘En wie
jou verwensen, zal ik vervloeken’, spreekt de stem.
Over de nieuw ervaren God wordt verteld
in termen waarin men ook sprak over de bestaande goden. In een vertrouwde
terminologie van macht en heersen, vertellen de Abram vertellers dat de God van
Israël op een geheel andere manier macht heeft en heerst. Er is vertrouwen
ervaren en gegroeid op een altijd aanwezige goede kracht rondom de mens en zijn
leven. Een kracht die de mens sterk maakt voor elkaar en voor de dingen die
gebeuren. Die is God genoemd. En op de eerste plaats een God die zich verbindt
met de mens. Geen God als veroorzaker. Geen God die het leven van mensen
bepaalt. Geen God die offers vraagt. Maar het is een God gebleken die
inspireert tot loslaten en tot het ondernemen van het leven als zoektocht, het
onbekende tegemoet.
En toch
lezen we: ‘En wie jou verwensen, zal ik vervloeken’. De keuze,
die Abram gemaakt heeft met een zich afkeren van het land, met het op save
spelen ten koste van Saraï, blokkeert de weg als zoektocht. Abram kiest voor
eigen veiligheid en voor eigen zekerheid, hij keert zich af van zijn nieuw
ervaren God. En, zoals
het Goede als een God- in- persoon, wordt opgevoerd, zo wordt ook het niet
goede als een afgod in persoon opgevoerd.
We zouden
de woorden ‘en wie jou verwensen, zal ik vervloeken’ misschien makkelijker
kunnen verstaan als: alles wat de weg als open zoektocht blokkeert, alles wat
de ontwikkeling van het goede in de weg staat, zal niet het laatste woord
hebben! Het ‘en
wie jou verwensen, zal ik vervloeken’, klinkt als een overtuiging dat het goede
het kwade zal overwinnen. Het zal lukken!
Niets
menselijks is bijbelverhalen vreemd. Het afdalen van de weg, zoals in het
verhaal over de vlucht naar Egypte, is een menselijk gegeven. Maar de belofte
van de sprekende God, inclusief het ‘en wie jou verwensen, zal ik
vervloeken’ betekent ten allen tijde
vertrouwen in de mens en de mogelijkheid van omkering, van vergeving, van weer
opnieuw kunnen beginnen. Voor de God van Israël telt Abram, telt de mens, er
wordt tegen hem gesproken.
In het
verwoorden van het karakter van de God van Abram, zijn de vertellers zeer
creatief. De God
van Abram is namelijk ook de God van Saraï geworden. Haar wordt onrecht
aangedaan. De verhalenvertellers, die zo overtuigd zijn geworden van een niet
aflatende goede kracht voor mensen, laten de onvrije situatie van Saraï niet
voortduren. ‘Zware slagen wordt de farao en zijn hovelingen toegebracht’, zo
staat er. In dezelfde terminologie als ‘En wie jou verwensen, zal ik
vervloeken’ wordt ook hier verteld over het Goede dat in de situatie van Saraï
aanwezig blijft. Dit Goede, God genoemd, heeft geen voorkeur voor mensen of
mensengroepen, maar is daar waar ongeluk en onrecht heersen. Ongeluk en onrecht
hebben niet het laatste woord. Waar dit vertrouwen heerst, waar dit vertrouwen
in mensenlevens zichtbaar wordt, daar is land om te leven, daar is
vruchtbaarheid en zegen.
Thérèse Beemster
|