Advertisement
Tso'arviering - 6 januari 2008

Tso’arviering – 6 januari 2008

Marlies Roelofs

Overweging Feest van Driekoningen

Wat is de waarde van het verhaal van de drie wijzen?

Het pleit voor de schrijverskwaliteiten van Matteüs dat hij een verhaal heeft geschreven dat al eeuwenlang zeer tot de verbeelding spreekt: er zijn spelen over gemaakt, het heeft geïnspireerd tot nieuwe verhalen zoals dat van de vierde koning, er zijn vormen van folklore aan verbonden, talloze kunstenaars in verleden en heden hebben dit verhaal uitgebeeld. Ook iconenschilders hebben het verhaal van de wijzen vereeuwigd zoals u kunt zien aan de icoon van de hand van Hans Dekeling.

Omdat dit verhaal over de drie wijzen zo tot de verbeelding heeft gesproken, heeft het in de loop der tijd een aantal wijzigingen ondergaan. En er zijn ook dingen toegevoegd aan het oorspronkelijke verhaal. De wijzen hebben dan ook niet alleen in letterlijke zin vanuit het oosten een hele reis gemaakt. Ook figuurlijk gesproken hebben zij een hele reis achter de rug: van magiërs of wijzen naar koningen. En van koningen naar koningen met naam en toenaam: Caspar, Balthasar en Melchior.

Het verhaal: van wijzen en koningen naar één wereld
Matteüs spreekt over Magoi. Wij hebben dit vertaald met wijzen of magiërs. Maar dan wordt in de tweede eeuw het verhaal van de wijzen verbonden met teksten uit het boek van de profeet Jesaja. Jesaja droomt over een nieuwe wereld die hij het nieuwe Jeruzalem noemt. Hij ziet dat als een stralende wereld die koningen en volkeren aantrekt door de glans van het licht. Koningen en volkeren komen af op de glans van het licht: hier ligt de wortel van die latere verandering van wijzen naar koningen.

En die nieuwe wereld is niet alleen vol licht. Ook de rijkdom van de volkeren valt dat nieuwe Jeruzalem ten deel: een vloed van kamelen zal u bedekken, dromedarissen van Midjan en Efa, schrijft de profeet. Ook de kamelen komen dus uit het boek van Jesaja. In het verhaal van Matteüs ontbreekt elk spoor van een koninklijk vervoermiddel. De kamelen, gevonden in het boek van de profeet Jesaja, werden later aan het verhaal van Matteüs toegevoegd. In diezelfde tweede eeuw benoemt een kerkvader de Wijzen ook als Koningen. Hij doet dit op grond van weer een andere tekst: psalm 72. Daarin wordt gedroomd over de komst van een rechtvaardige koning waarvoor alle andere koningen zullen buigen en voor wie zij geschenken zullen aandragen. Een tekst die Matteüs wellicht in zijn achterhoofd had. Want het buigen of knielen en de geschenken komen letterlijk in zijn verhaal over de wijzen terug. Zo komt het dat in de westerse kerk de wijzen of de magiërs uiteindelijk als koningen werden gezien.

De kerkvader Origenes is de eerste die op grond van de gaven goud, wierook en mirre over een drietal spreekt. Matteüs zelf noemt geen aantal. En in een oud Alexandrijns geschrift uit circa 500 krijgen de drie koningen hun namen: Balthasar, Caspar en Melchior. Dan, rond de 8e eeuw, worden de drie koningen vereenzelvigd met de drie leeftijdsgroepen: Melchior als de oudere, Balthasar als iemand van middelbare leeftijd en Caspar als de jongste. Wanneer zij daarna ook nog worden geïdentificeerd met de drie toen bekende werelddelen Europa, Azië en Afrika, dan is de verkondigingswaarde duidelijk: heel de wereld van jong tot oud staat rond het kind.

Dit is in het kort de reis die het verháál van de drie wijzen in de loop der tijd heeft gemaakt. Het gedroomde beeld van een wereld vol eenheid en harmonie wordt ons op deze manier in verhaalvorm doorgegeven. De veranderingen en toevoegingen lijken dit beeld van volmaaktheid alleen maar te willen versterken.

Alleen bij Matteüs
Hoe zou Matteüs deze reis door de tijd van zijn verhaal over de wijzen hebben gevonden? Zou hij vinden dat zijn verhaal aan diepgang heeft gewonnen? Of zou hij vinden dat deze latere veranderingen en toevoegingen afbreuk hebben gedaan aan de bedoeling ervan? Om een antwoord te vinden op deze vragen is het van belang om te weten dat alleen bij Matteüs dit verhaal te vinden is. Bij Marcus is het niet te vinden, Lucas rept met geen woord over wijzen op zoek naar het kind en ook bij Johannes zoeken we vergeefs naar woorden gewijd aan wijzen die een ster achterna gaan. Het is misschien een verrassend feit dat dit verhaal slechts bij één evangelist te vinden is. Gezien de impact van het verhaal zou je wellicht verwachten het bij alle vier de evangelisten aan te treffen.

Binnen- en buitenlijn
We weten ondertussen dat de vier evangeliën geschreven zijn ná de dood van Jezus. Matteüs schreef zijn evangelie ergens in het laatste kwart van de eerste eeuw. Vermoedelijk rond het jaar 90. Evenals Marcus, Lucas en Johannes schreef Matteüs voor een bepaalde gróep christenen. Dat alleen bij hem het verhaal over de wijzen te vinden is heeft alles te maken met de groep, de gemeente, waarvoor hij zijn evangelie schreef. Matteüs schreef voor christenen voor wie het losraken van de oorspronkelijke Joodse wortels een moeilijk te aanvaarden gegeven was. De eerste christenen waren Joden die zich steeds meer tot eigen, aparte gemeenschappen ontwikkelden en op den duur steeds meer in conflict raakten met het officiële Jodendom. Voor de gemeente rond Matteüs was het losraken van de Joodse wortels zeer problematisch. In de geest van Jezus wil hij met zijn evangelie een antwoord geven op het probleem van deze christenen. Daartoe opent hij, zo zou je kunnen zeggen, twee lijnen. Een binnenlijn waarin hij de Joodse wortels benadrukt én een buitenlijn waarin hij vertrouwen uitspreekt in de wereld buiten de eigen, bekende kaders.

Zo spreekt bij Matteüs Jezus de volgende woorden: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet en de Profeten af te breken. Ik ben niet gekomen om af te breken, maar om te vervullen (Matt. 5: 17-20). Dat is de binnenlijn waarin Matteüs de onverbrekelijke band bevestigt met de Joodse traditie van Wet en Profeten. Tegelijkertijd stelt hij dat de blijde boodschap bestemd is voor álle volken (Matt. 24:14) en krijgen de leerlingen de opdracht álle volkeren tot leerling te maken ( Matt. 28: 19). Dat is de buitenlijn.

Vertrouwen
Al in het prille begin van het evangelie komen we bij Matteüs deze binnen- en buitenlijn tegen. Want hij opent zijn evangelie met de stamboom van Jezus waarin hij de Joodse wortels van Jezus benadrukt. Jezus wordt zoon van David én zoon van Abraham genoemd. Een dubbele bevestiging dus van zijn Joodse afkomst. Het gaat hier weer om die binnenlijn. Na de stamboom van Jezus uiteengezet te hebben volgt bij Matteüs het verhaal van Jezus’ geboorte. En onmiddellijk daarna het verhaal van de wijzen op zoek naar het licht. En die wijzen komen van buiten, uit het oosten: het gaat hier dus om de buitenlijn!

Daarmee is ook het antwoord gegeven op de vraag waarom dit prachtige verhaal alleen bij Matteüs te vinden is. Hij wil zijn mensen, zijn gemeente, vertrouwen geven in de toekomst en in de omringende wereld. Door niet terug te verlangen naar wat verloren dreigt te gaan maar met vertrouwen uit te kijken naar wat op hen afkomt. Daarom schrijft hij zijn verhaal over drie wijzen die niet uit de eigen gelederen kwamen maar uit het oosten. Op zoek naar het licht. En de latere kamelen, koningen en de namen die de koningen kregen doen aan deze betekenis geen enkele afbreuk. Mij lijkt dat Matteüs met de veranderingen en toevoegingen aan zijn verhaal uitstekend zou hebben kunnen leven!

Het is een verhaal met een brugfunctie: tussen wat was en dat wat komt. En die brug heeft als naam ‘vertrouwen.’ Het verhaal van de wijzen is een buitenlijnverhaal in de geest van Jezus zoals Matteüs die ervaren heeft

Wat kunnen wij vandaag met dit verhaal?
Wat heeft het ons te zeggen?

Geplaatst in een kerkelijke context zouden we kunnen zeggen: wees niet bang om de vertrouwde kaders waarin wij ons geloof hebben uitgezegd en ervaren, los te laten. Mensen zullen blíjven zoeken naar licht, naar uitzicht. Mensen zullen blíjven zoeken naar woorden om datgene uit te drukken wat in woorden bijna niet uit te zeggen valt. In deze context merkte iemand ooit op dat de religie allang uit de kerken is verdwenen en uitgestroomd is in de samenleving. En daar volop te vinden is in films, literatuur, kunst en muziek. Maar ook in het gewone dagelijkse leven van mensen die met en vanuit aandacht proberen te leven. Geloof is te vinden. Nog steeds, ook in onze tijd. Maar niet langer of niet alleen meer op de van oudsher vertrouwde plekken. Zoals dat ook het geval was voor de gemeente van Matteüs. En misschien komt het uit een hoek waar je het niet had verwacht. Uit het oosten noemt Matteüs dat in zijn verhaal.

Wat kunnen wij vandaag met dit verhaal?
Wat heeft het ons te zeggen?

Geplaatst in een maatschappelijke context zouden we kunnen zeggen: wees niet bang om de vertrouwde kaders waarbinnen we ons veilig hebben gevoeld los te laten. Dat is moeilijk. Door bijvoorbeeld de schaalvergroting die de globalisering met zich meebrengt, zijn we geneigd ons terug te trekken op ons eigen erf. En werden we bang voor Europa. In dit opzicht is het onthullend en onthutsend dat de politici die inspelen op onze angst voor het onbekende op dit moment in Nederland gróte aanhang hebben. Als een politicus als Geert Wilders – om dan toch maar een naam te noemen – gevraagd zou worden een verhaal te schrijven om zijn aanhang een hart onder de riem te steken, zou hij geen verhaal hebben geschreven met wijzen in de hoofdrol. En als Wilders het tóch over wijzen zou hebben, zou hij ze zeker niet uit het oosten laten komen!

Wees niet bang voor het nieuwe en het onbekende, zo houdt Matteüs zijn mensen voor. De kern van ons bestaan en van onze roeping is menswording. Dat kan altijd, overal, en in de meest uiteenlopende situaties. Kijk maar naar het leven van dat kind dat gevonden werd in een kribbe in het open veld. Menswording: daar kan altijd, overal, en in de meest uiteenlopende situaties naar gezócht worden. Door bekenden en onbekenden. Uit oost en west. Dat verbindt ons, dat maakt onbekenden tot bekenden. Menswording kan in álle situaties, op álle plaatsen, op álle tijden. In dit opzicht is menswording onbegrensd.

Wat kunnen wij vandaag met dit verhaal?
Wat heeft het ons persoonlijk te zeggen?

Matteüs zegt tot zijn gemeente: wanhoop niet wanneer de vertrouwde situatie waarbinnen je veilig bent, ophoudt te bestaan. Want uiteindelijk gaat het om menswording en die kan gerealiseerd worden op alle plaatsen, in alle tijden en in de meest uiteenlopende omstandigheden. Wanneer we ons dat goed realiseren kunnen we onze tijd en energie daaraan besteden. En niet aan het veranderen van de situatie. Want er zijn veel situaties waaraan we niets kunnen veranderen. Zoals die waarin de gemeente van Matteüs verkeerde.

De wijzen uit het verhaal van Matteüs, de koningen in latere versies van het verhaal en – nog later – Caspar, Melchior en Balthasar, zochten het mensgeworden kind en knielden voor hem. Na een lange reis met een foute afslag richting Herodes, vonden zij datgene wat zij de moeite waard vonden om voor te knielen en te buigen. Als koningen hadden zij misschien alle schatten van de wereld tot hun beschikking. Als wijzen zochten en vonden zij datgene waarvoor zij werkelijk wilden knielen en buigen.

Maar wij zijn en blijven mensen: bereid om voor van alles en nog wat te buigen en te knielen. Dat is dan ook de waarde van dit verhaal voor ieder van ons persoonlijk: het nodigt uit tot – waar nodig - herijking. De wijzen, de koningen, Caspar, Melchior en Balthasar laten ons de vraag waarvoor wij op onze levensreis bereid zijn te buigen en te knielen.

Marlies Roelofs

 
< Vorige   Volgende >
© 2010 Tso'ar - inspiratie en inzet
Ontwerp: Repro- van de Kamp