Advertisement
Tso'arviering - 7 december 2008

Tso’arviering – 7 december 2008

Marlies Roelofs

 

Tweede zondag van de Advent

Lezingen: Jesaja 40: 1-5, 9-11 en Mc. 1: 1-8

 

Maar ooit, Gij weet uit welke aardlaag,

uit hoe diep versteende moederschoot,

zult Gij mij roepen, ik zal blakend nieuw en bloot

naast U staan in licht onstuitbaar vrij

zo nieuw als Gij.        (H. Oosterhuis)

 

Taal van verwachten, van hoop: Adventstaal!

Vorige maand hebben we een wereldwijde golf van vreugde en ontroering gezien toen Barack Obama gekozen werd als de nieuwe president van de VS. Vanuit de hele wereld kwamen reacties die getuigden van overal opnieuw oplaaiende hoop. In Kenia bv. waar Obama deels zijn wortels heeft. Daar herleefde de hoop dat door zijn invloed projecten ter verbetering van de situatie van het volk weer zouden worden opgepakt. En in een van de achterstandswijken van Chicago raakten zwarte leerlingen door het succes van Obama gemotiveerd om te gaan werken aan hun toekomst. Ook zagen we hoeveel gekleurde mensen zich door deze presidentskeuze eindelijk erkend voelden. Zoals de vrouw van 106 jaar oud die de tijd nog had meegemaakt dat ze niet mocht stemmen omdat ze én vrouw én zwart was en die nu meemaakt dat Amerika een zwarte president kiest! Want de vreugde om een zwarte president is de vreugde dat precies huidskleur niet langer bepalend is, maar iemands kwaliteiten en talenten. De vele positieve reacties vanuit de hele wereld tonen dat de hoop op een betere wereld nog steeds springlevend is.

 

Het lijkt van alle tijden dat mensen blijven hopen, soms tegen beter weten in. Want het “Troost, troost Jeruzalem”, het “Houd moed Jeruzalem”, schrijft de profeet Jesaja tegen de achtergrond van de verwoesting van de Babylonische ballingschap. Bij een van ons riep – tijdens de voorbereiding van deze viering - deze Jesaja tekst de gedachte op aan de Palestijnse situatie. Hoe hopeloos die situatie ook is – in Europa werd een muur afgebroken en in Israël bouwen ze er weer een op - tóch wordt de moed om een oplossing te vinden niet opgegeven.

 

Wat beweegt mensen om te hopen, te blijven hopen soms tegen beter weten in? De Bijbel toont ons in deze een spoor. Dat spoor is door de joodse theoloog Pinchas Lapide kernachtig verwoord. De Bijbelse leerschool van de hoop, zo zegt hij, is de mislukking. Mislukking als leerschool van hoop. Kijk maar naar de joodse geschiedenis, dat is een aaneenschakeling van vervolgingen, verdrijvingen en nederlagen. En het christendom is gestoeld op het mislukken van Jezus van Nazareth wiens leven eindigde met de kruisdood. Hoe is het mogelijk dat hoop groeit, ontstaat, uit ondergang en mislukking?

 

Iets van dit raadsel wordt ontsluierd door de taal, zegt Lapide. In dit geval de Hebreeuwse taal. De oorspronkelijke betekenis van het Hebreeuwse woord voor hopen is ‘vlechten’ of ‘twijnen’. Hoop wordt dus in feite verbeeld als een draad, koord of touw. Een touw biedt vastheid, het breekt niet en is tegelijkertijd een aanknopingspunt. In de storm heeft de zeeman, als alles om hem heen dreigt stuk te breken, een sterk touw nodig om zich aan vast te houden.

 

Waarom “kiest” de Hebreeuwse taal een touw als beeld van hoop? Ik vermoed dat dit te maken met de kant van het menselijke bestaan die in de Bijbel bij uitstek onder de loep worden genomen. Bijbelse verhalen verkennen vooral de stormen in het leven van mensen. Om te ontdekken of er op de bodem van de put nog iets van waarde te vinden is.

In de Schrift komt het volk van Israël – lees: de mensheid – ter sprake als het bedreigd wordt, als er oorlog is, als er crisis is. En als het gaat om individuele mensen zijn die meestal blind, lam, stom, doof en soms zelfs dood. Het verkennen van die stormachtige kant van het menselijke bestaan, heeft de joods-christelijke traditie het verwijt opgeleverd dat zij het lijden zou verheerlijken. Wij zijn waarschijnlijk allemaal grootgebracht met een variant van dit verwijt. En dat betreft het gezegde nood leert bidden. Maar dat werd wel bedoeld als een veroordeling. In de trant van we vergeten God als we het goed hebben en we denken pas weer aan Hem denken als we in onze wanhoop niemand anders meer hebben tot wie we ons kunnen richten. Maar uit de Hebreeuwse taal blijkt echter dat de Bijbel niks heeft met dit soort gemoraliseer en niks heeft met het verheerlijken van lijden. Want als de hoop verbeeld wordt als een touw houdt dat in dat in kalme en rustige tijden het touw van de hoop niet nodig is. Bij kalme zee en rustige vaart ligt het touw van de hoop op het dek en wordt niet gebruikt. Maar wél als het stormt, als het schip dreigt te vergaan. Alleen wanhoop vraagt om hoop. Nood leert bidden: dat klopt, zegt de Bijbel. Want pas dan hebben we behoefte aan een houvast, een koord, een touw. En dáárom verkent de Bijbel grenssituaties, uiterste situaties in het leven van mensen. Om te zien of er op de bodem van de put nog iets van waarde wordt aangetroffen.

 

Op de bodem van de put maakt Israël gewag van een innerlijke kracht die God als een touw zelf vastknoopt. Wie aanknoopt bij God kan aan mislukken hóóp scherpen. God heeft vele namen maar succes bevindt zich daar niet onder (M. Buber). Wie aanknoopt bij God put troost uit droefheid, put vertrouwen uit verlatenheid, put nieuwe kracht uit lijden. Leed en mislukking behoren tot het menselijk leven maar het is geen bodemloze put, zegt de Bijbel.

Aanknopen bij God is aanknopen bij een nieuw begin, bij hoop op een nieuw begin. Maar dat nieuwe begin is teer en kwetsbaar. Zeker als het ontspringt uit lijden of uit verlatenheid of droefheid. In de Bijbelse verhalen kondigt dit nieuwe leven zich dan ook aan in de nacht, in de gedaante van een pasgeboren kind. En overal waar dat nieuwe begin daagt, staan we, zegt de Schrift, op heilige grond. Ik ben dan ook niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken, zegt Johannes. Waar ergens een nieuw begin daagt, dienen we dat met alle bijbehorende omzichtigheid te benaderen.

 

En dat nieuwe begin is midden onder ons. Altijd. Maar we moeten er wel oog voor hebben. Het is hier in deze ruimte. In zeer kwetsbaar en fragiel materiaal - papier - heeft de van oorsprong Colombiaanse kunstenares Miriam Londo ño namen gekalligrafeerd van mensen die door de FARC zijn ontvoerd. Waaronder de naam van de onlangs bevrijde Ingrid Betancourt. Haar werk hangt hier opdat wij niet zullen vergeten…. Want alleen als wij oog houden voor dit soort verschrikkingen kan de hoop dat het ooit zal eindigen blijven bestaan.

 

Dat nieuwe begin is midden onder ons. In bv. Berlijn waar in het centrum van de stad het Holocaust Memorial staat. Het is van een omvang waar je niet om heen kunt. Het is een teken van hoop op een nieuw begin omdat een volk de herinnering aan een van de zwartste bladzijden uit haar geschiedenis niet in de marge, aan de rand van de stad heeft geplaatst. Maar in het hart van de stad, in het centrum. Want alleen als we het lijden dat hierdoor veroorzaakt is, onder ogen durven zien, kan de hoop op een nieuw begin groeien.

 

Dat nieuwe begin is midden onder ons. In elke mens die zich ondanks of dankzij zijn situatie durft toe te vertrouwen aan het heil. Die durft aan te knopen bij God.

 

Marlies Roelofs

 
< Vorige   Volgende >
© 2010 Tso'ar - inspiratie en inzet
Ontwerp: Repro- van de Kamp