
| Tso’arviering 7 oktober 2007 ‘De Verspieders’ |
Tso’arviering
7 oktober 2007 ‘De Verspieders’
Thérèse Beemster
Ontmoeting
Fetze Pijlman
Een brok steen
brak uit de rots,
duizend jaar
geleden
en denderde naar
beneden.
Dat was het begin
van de reis
van hollen en
stil staan
van rollen en
breken
van zwerven en
blijven steken
verschoven onder
sneeuw die smelt
gemetseld in
wanden
verschopt door
voeten
vertild door
handen
versleept naar de
rivier
die een weg is
waar een steen langs reist
door water op
sleeptouw genomen.
Hij slaapt op de
oever
hij rolt in de
stroom
tot hij bij de
zee is gekomen.
Dan is hij klein
en glad gesleten
door golven op
het strand gesmeten.
De Heer sprak tot Mozes:
dat Ik aan de Israëlieten geef; één man uit elke stam;
het moeten mannen van aanzien zijn.’
Vanuit de Paranwoestijn zond Mozes hen op bevel
onder de Israëlieten.
door en ga dan het bergland in.
of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of
het volk in open plaatsen of in versterkte steden woont;
of de grond vruchtbaar is of schraal, en of er bomen zijn
of niet. Gedraag u moedig en breng ook wat vruchten mee.’
Het was juist de tijd van de eerste druiven.
Zij vertrokken en verkenden het land.
Zij drongen door in het dal Eskol en sneden daar een
wijnrank af met een druiventros, die zij met twee man aan een stok
moesten dragen; bovendien namen zij enige granaatappels en vijgen mee.
Bij de eerst woorden van de tekst kunnen
we al in verlegenheid raken: er is blijkbaar een God, die zegt: er is een vrij
land dat beloof ik je, en dat geef ik jullie! Maar gaat deze God er aan voorbij
dat er al reeds bewoners in dit land wonen? Moet er een gevecht of een oorlog
gestreden worden om ‘ het landje pik ‘ te volbrengen?? Staat deze God in die
strijd dan aan de zijde van zijn volk tégen de bewoners van Kanaän? Wat voor
God is deze Good? Is dit een partijdige God?
En bovendien, vandaag ligt in het verhaal
het accent op verspieden, verkenner. Voordat er sprake is van de intocht in dat
nieuwe land wordt opdracht gegeven om al vast een paar verspieders, spionnen,
het land heimelijk in te sturen. Is hier misschien sprake van het ontwerp van
een aanvalstrategie? Wordt de God van Israël een generaal over troepen? Of
heeft deze generaal iets van doen met het beeld van een immense druiventros?
Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug.
Zij gingen naar Mozes en Aäron.
En zij vertelden aan heel de gemeenschap: ‘Wij zijn in het
land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk van melk en
honing. Kijk maar eens naar deze vruchten.
Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de
steden zijn ommuurd en zeer groot.’
Kaleb trachtte het volk tot
volgzaamheid tegenover Mozes
te bewegen en zei: ‘Wij kunnen
gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in
staat.’
Maar de mannen die mét hem waren uitgezonden,
zeiden: ‘Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is té sterk voor ons.’ Zij verspreidden onder de Israëlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden:’Het land dat wij doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt,
en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig
groot.’
Reflectie
Bij terugkomst zijn de meningen over het
land en zijn bewoners verdeeld. Van de twaalf zijn er 10 die het land wel
prachtig vinden, maar oh jee, wat een rare mensen leven er. Ze zien er niet
uit, hebben hoge muren opgetrokken om hun steden, en zij worden verslonden.
‘Nooit naar toe gaan’ is hun devies: het volk is er te sterk voor ons. En de
tien verkenners die negatief zijn verkopen ook nog eens roddelpraat!
Maar dan zijn er nog twee andere
verkenners. Zij zijn een heel andere mening toegedaan: ‘wij kunnen best
optrekken, wij zijn er toe in staat’, zeggen zij.
‘Het verhaal achter het verhaal’, zou Ter
Linden zeggen, biedt ons een blik op de levenservaring van generaties vóór
ons.
In het beeld van de twee verkenners wordt
ons duidelijk gemaakt dat mensen in staat zijn om het onbekende in het leven te
omarmen. Niet makkelijk, maar het kán. Van de twaalf zijn er twee die zeggen
dat het kan. De verhalen van Israël zijn namelijk menselijk, ze lijden niet aan
zelfoverschatting: 2 verkenners zien het zitten! Het zijn er twee die de strijd
met het onbekende en met zichzelf aangaan. Zij hebben verkend en in kaart
gebracht wat er te doen staat en wat de mogelijkheden zijn. Zij erkennen het
vreemde, maar laten zich door dit vreemde, onbekende niet uit het veld slaan.
Angst en onmogelijkheden zijn niet hun raadgever, maar zij richten zich op
mogelijkheden! Veroveren, zegt de tekst. Veroveren niet in de zin van land
innemen van een ander. In bijbelse zin is land namelijk niemands bezit. ‘Van
God is de aarde’, zingen psalmen. Maar het beeld van land heeft betrekking op
leven en levensruimte. Mensen kunnen levensruimte veroveren door de beren op de
weg, de reusachtige bergen waar we tegenop kunnen zien, als gegeven te
aanvaarden en nieuwe mogelijkheden onderzoeken. De twee positieve verkenners
sluiten hun ogen niet voor wat zij hebben gezien, maar brengen mogelijkheden in
kaart ipv onmogelijkheden!
Reflectie
Eén van de mooiste beelden uit het
verhaal, dat betrekking heeft op mogelijkheden, blijkt de gigantische
druiventros die de twee positieve verkenners meedragen. Er spreekt
vruchtbaarheid uit op een bijzondere manier. Het onbekende land blijkt zo
vruchtbaar, de mogelijkheden zijn er zo legio aanwezig, maar alleen waar men
samen gaat kan deze vruchtbaarheid aan het licht komen. De vruchtbaarheid
blijkt namelijk te veel en te zwaar om in je eentje te kunnen dragen.
Uit het beeld van deze giga druiventros
die samen wordt gedragen spreekt hoe vertrouwen in het leven gevonden kan
worden. De mannen dragen samen: daar waar men samen op pad gaat komt het goede
in zicht. De vruchtbaarheid en de mogelijkheden in het onbekende land zijn zo
groot, dat alleen waar men samen gaat, waar men samen draagt, deze
vruchtbaarheid en mogelijkheden aan het licht kunnen komen.
Spreekt hier niet het beeld mee van de
mens geschapen, twee aan twee. Spreekt hier niet de wijsheid van Israël dat het
goede, het licht en het rechtvaardige in het leven gevonden kunnen worden waar
men samen leeft in een open communicatie
met elkaar en met de dingen die gebeuren? De zoektocht naar het goede en naar
licht, naar levensruimte, biedt perspectieven indien deze zoektocht samen
gegaan wordt. Communicerend en elkaar bevragend, belangstellend en open!
Roddelpraat staat haaks op deze intentie. Roddelpraat, niet communiceren, angst
en negativiteit, zij bieden geen zicht op levensruimte.
Jozua en Kaleb zijn de twee die de open levenshouding
dragen in de vorm van een gigantische druiventros. Het goede dat wij God noemen
is onnoemelijk, overdadig groot aanwezig, maar kan pas zichtbaar worden daar
waar men samen leeft. Daar ontstaat land, daar is levensruimte.
Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en het volk
bleef heel de nacht jammeren. Alle Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron en
heel de gemeenschap zei tegen hen: ‘Waren wij maar in Egypte gestorven of
anders hier in de woestijn! Waren wij maar dood!
De Heer leidt ons naar dat land waar we door het zwaard
zullen vallen, terwijl onze vrouwen en kleine kinderen buitgemaakt worden. Is
het niet beter om naar Egypte terug te gaan?’ En zij zeiden tegen elkaar:
‘Laten wij een nieuwe aanvoerder kiezen en naar Egypte teruggaan.’
Toen wierpen Mozes en Aäron zich voor heel de verzamelde
gemeenschap van de Israëlieten ter aarde. Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de
zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren en
zeiden tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: ‘Het land dat wij op onze
verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land.
Als de Heer behagen in ons heeft, zal Hij ons dat land
binnenvoeren en dat land dat overvloeit van melk en honing aan ons geven.
Kom dus niet in opstand tegen de Heer en wees ook niet
bang voor de bevolking van dat land, want zij zijn een gemakkelijke prooi voor
ons. Van hen is de beschermende schaduw geweken, maar bij ons is de Heer. U
hoeft niet bang te zijn voor hen!’
Reflectie
De gemeenschap begint te mopperen, niets
menselijks is Israël vreemd. Angst en wantrouwen voeren de boventoon. Houden
wat je hebt, hoe slecht en moeilijk ook, blijkt beter of makkelijker dan te
vertrouwen en het nieuwe, onbekende te omarmen.
Het levenspad van mensen is niet bij
voorbaat glad geëffend. Maar angst en wantrouwen bieden geen weg ten leven,
bieden geen uitzicht op goed leven met ruimte voor de dingen die gebeuren.
Jozua en Kaleb scheuren hun kleren. In
het oude Israël is dit een teken van rouw. Het bijbelse beeld van dood, van
niet leven, waart onder de mensen. De roep om te leven als mensen van belofte
wordt niet langer verstaan. Aan de opdracht om heilzame verhoudingen voort te
brengen wordt niet langer gehoor gegeven. De verslavende natuurgoden bieden op
het eerste gezicht een makkelijker weg. Maar de nieuw ervaren God, de macht van
het goede, is van een heel andere
orde.Dit goede dat wij God noemen kiest geen partij, maar is verbonden met
mensen die er naar zoeken.
Níet zoeken in vertrouwen op het Goede
dat een mens omringt, is in bijbelse zin dodelijk, is zonder levensruimte. In
de tekst wordt zelfs gesproken met het beeld van een dodelijke pest die mensen
uitroeit.
Maar Mozes zei tegen de Heer: ‘De Egyptenaren weten dat U
dit volk door uw kracht uit hun land hebt geleid; bovendien hebben alle
bewoners van dit land hier gehoord dat U, de Heer, bij dit volk woont, dat U,
de Heer, aan hen verschijnt; dat uw wolk boven hen staat, dat U voor hen
uitgaat overdag in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurzuil. Wanneer U nu dit
volk als één man doodt, dan zeggen de volken die van uw faam gehoord hebben:“De
Heer was niet bij machte dit volk in het land te brengen, dat Hij hun onder ede
beloofd had. Daarom heeft hij hen in de woestijn omgebracht.” Laat nu de grote
macht van mijn Heer zich tonen. U hebt immers gezegd: “De Heer is lankmoedig,
rijk aan erbarmen, misdaad en zonde vergeeft Hij: al laat Hij niets ongestraft:
de misdaad van de vader wreekt zich op zijn kinderen, tot de derde en vierde
generatie.”
Vergeef toch de schuld van dit volk in uw grote
barmhartigheid, zoals U het steeds vergiffenis geschonken hebt, van Egypte af
tot hiertoe.’
Toen zei de Heer: ‘Ik schenk vergiffenis zoals u vraagt.
Maar zowaar ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van de
Heer:
geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en
de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij
wel tienmaal getart hebben door niet naar mij te luisteren,
geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen
onder ede beloofd heb. Niemand van degenen die mij versmaad hebben, zal het
zien.
Maar mijn dienaar Kaleb, die van een andere geest was
bezield, is Mij in alles trouw gebleven. Daarom zal ik hem in het land brengen
waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten.
U zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats
heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van
Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
Maar uw kleine kinderen, van wie u gezegd hebt dat zij
buitgemaakt zouden worden, die zal ik er binnenvoeren en zij zullen het land
leren kennen dat u versmaad hebt.´
Reflectie
Het blijft een menselijk verhaal. Daar
waar de natuurgoden ten tijde van ontstaan van deze verhalen, almachtig en
onverbiddelijk zijn, spreekt Israël over een heel andere macht. Het is de macht
van goedheid die menselijkerwijs gevonden kan worden. Deze macht is niet
onverbiddelijk of één twee drie aanwezig. Deze macht wordt al overwegend en
schouwend gevonden. In het gesprek tussen Mozes en God krijgt deze God gezicht.
Mozes bidt zouden wij zeggen. Al biddend wordt duidelijk hoe deze God voor
mensen kracht betekent. Het blijkt een kracht onder mensen die bij voortduring,
al overwegend, uitnodigend is om opnieuw te beginnen. Maar wie het wil houden
bij het oude, bij wie angst en wantrouwen de leidraad blijven, en voor hen die
geen nieuwe onbekende fenomenen in het leven kunnen toe laten, zij lopen de
kans deze vervorming van menselijkheid door te geven tot wellicht het derde of
vierde geslacht. ‘Gij zult het land niet binnen gaan’, staat er. In bijbelse
beeldtaal wordt gezegd: niet dat deze God een straffende God betekent, maar
degene die zich niet verbindt in een zoektocht mét de ander naar het Goede, zal
het tegenovergestelde ervaren: er zal gebrek zijn aan levensruimte en geluk.
Het land van belofte blijkt geen fysiek land te zijn wat veroverd moet worden
op tegenstanders. Het land van belofte komt aan het licht waar mensen de strijd
aangaan met zichzelf, met de mensen die je levenspad kruisen en met al datgene
wat op je weg komt. Omarm het onbekende, en tors tezamen de druiventros!
Opdat Lichtadem kan open breken en als
levensadem in mensen zal oplichten
En de
mannen die Mozes had uitgezonden om het land te verkennen en die na hun
terugkeer heel de gemeenschap tegen hem tot morren hadden aangezet door
allerlei praatjes over het land te verspreiden, die verspreiders van allerlei
boze praatjes, stierven door het ingrijpen van de Heer een plotselinge dood.
Van de
mannen die uitgezonden waren om het land te verkennen, bleven alleen Jozua, de
zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, in leven.
Reflectie
Jozua krijgt naam: hij die redt. Niet
voor niets heeft ook Jezus deze naam:
uit het zelfde Israël-hout gesneden. Jozua heeft naam gemaakt evenals Kaleb, de
anderen zijn naamloos ten onder gegaan. Kwaadspreken, niet communiceren is geen
lang leven beschoren, redt niet, biedt geen land en levensruimte! In bijbelse
verbeeldende zin heeft dit de dood -als niet leven- tot gevolg. Er is hier geen
sprake van een straffende heersende Heer, een God vergelijkbaar met het
onverbiddelijk ingrijpen van de natuurgoden. De macht van goedheid en licht, de
macht van deze “Heer” onder mensen, door Israël ervaren en doorgegeven, heerst
onder aanhalingstekens, door een levenshouding van mensen. Kleine kinderen worden binnen gevoerd in het land, vertelt het verhaal. Kinderen als beeld van de kwetsbare houding, een open houding, een leergierige houding. Het kind als het beeld van degene die aan de hand van de ander wil gaan. Kinderen, zij zullen het land betreden. Thérèse Beemster
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|