Advertisement
Tso’arviering 7 oktober 2007 ‘De Verspieders’

Tso’arviering 7 oktober 2007  ‘De Verspieders’

Thérèse Beemster

In zijn woorden bij de opening van Tso’ar, en op de avond van zijn lezing, heeft Carel ter Linden met enthousiasme blootgelegd hoe wij de bijbelse verhalen kunnen verstaan. Het zijn verhalen als verbeeldende taal van levenservaring, verhalen losgebroken uit mensen. Verhalen die van generatie op generatie zijn doorverteld, omdat zij een waardige beschouwing op het leven bevatten. Zij hebben al een heel leven achter de rug op het moment waarop wij ze nú horen en koesteren.

 

Ontmoeting

Fetze Pijlman

 

Een brok steen brak uit de rots,

duizend jaar geleden

en denderde naar beneden.

 

Dat was het begin van de reis

van hollen en stil staan

van rollen en breken

van zwerven en blijven steken

verschoven onder sneeuw die smelt

gemetseld in wanden

verschopt door voeten

vertild door handen

versleept naar de rivier

die een weg is waar een steen langs reist

door water op sleeptouw genomen.

Hij slaapt op de oever

hij rolt in de stroom

tot hij bij de zee is gekomen.

Dan is hij klein en glad gesleten

door golven op het strand gesmeten.

 

 

 
Vanuit de ervaring dat Goedheid en Licht het leven van mensen onophoudelijk omringt, vertelt het volk Israël haar levensverhaal. Het levensverhaal waarbinnen ook het verhaal van Jezus van Nazareth verstaan moet worden en waarmee ook wij óns levensverhaal kunnen verbinden. Het blijkt een levensverhaal als een zoektocht naar menselijke verhoudingen die levensvatbaar zijn. Een zoektocht naar mogelijkheden die de mens vrij maakt voor elkaar en voor zichzelf en voor de dingen die gebeuren. Een zoektocht naar het goede en naar licht, naar een land van belofte, zegt het verhaal.

Deze zoektocht brengt het volk Israël in de woestijn, veertig jaar lang! Veertig jaar zwerven zij rond, in op- en neergaand vertrouwen. Want daarin is Israël eerlijk. De zoektocht gaat niet zonder slag of stoot. Veertig jaar, de levensverwachting van de mens toentertijd, zwerven zij. Een beeld uit het verhaal doemt op: veertig jaar woestijn, een leven lang om te ontdekken waartoe de mens in staat is.

 

De zoektocht naar Goedheid en Licht, die het volk Israël tot Israël gemaakt heeft, - de naam Israël zegt het al: hij die met het Goede, met Licht in het leven strijdt, hij die in het leven een gevecht aan gaat in de zoektocht naar het goede -, die zoektocht brengt ons vandaag het verhaal over de Verspieders.

Moge dit ook ons verhaal worden. Keren wij ons, met deze intentie, in gebed.

 
Bijbeltekst

De Heer sprak tot Mozes:

‘Zend mannen uit om Kanäan te verkennen, het land

dat Ik aan de Israëlieten geef; één man uit elke stam;

het moeten mannen van aanzien zijn.’

Vanuit de Paranwoestijn zond Mozes hen op bevel

van de Heer uit; het waren allen vooraanstaande mannen

onder de Israëlieten.

 

Toen Mozes hen uitzond om Kanaän te verkennen,

gaf hij hun deze opdracht: ‘Trek eerst de Negeb woestijn

door en ga dan het bergland in.

Stel vast wat het voor een land is, of het volk er sterk is of zwak,

gering in aantal of talrijk;

of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of

het volk in open plaatsen of in versterkte steden woont;

of de grond vruchtbaar is of schraal, en of er bomen zijn

of niet. Gedraag u moedig en breng ook wat vruchten mee.’

Het was juist de tijd van de eerste druiven.                                   

Zij vertrokken en verkenden het land.

Zij drongen door in het dal Eskol en sneden daar een wijnrank

af met een druiventros, die zij met twee man aan een stok

moesten dragen; bovendien namen zij enige granaatappels en vijgen mee.

 

Reflectie

Bij de eerst woorden van de tekst kunnen we al in verlegenheid raken: er is blijkbaar een God, die zegt: er is een vrij land dat beloof ik je, en dat geef ik jullie! Maar gaat deze God er aan voorbij dat er al reeds bewoners in dit land wonen? Moet er een gevecht of een oorlog gestreden worden om ‘ het landje pik ‘ te volbrengen?? Staat deze God in die strijd dan aan de zijde van zijn volk tégen de bewoners van Kanaän? Wat voor God is deze Good? Is dit een partijdige God?

En bovendien, vandaag ligt in het verhaal het accent op verspieden, verkenner. Voordat er sprake is van de intocht in dat nieuwe land wordt opdracht gegeven om al vast een paar verspieders, spionnen, het land heimelijk in te sturen. Is hier misschien sprake van het ontwerp van een aanvalstrategie? Wordt de God van Israël een generaal over troepen? Of heeft deze generaal iets van doen met het beeld van een immense druiventros?

 

Bijbeltekst

Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug.

Zij gingen naar Mozes en Aäron.

En zij vertelden aan heel de gemeenschap: ‘Wij zijn in het land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk van melk en honing. Kijk maar eens naar deze vruchten.

Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot.’                                  

Kaleb trachtte het volk tot volgzaamheid tegenover Mozes

te bewegen en zei: ‘Wij kunnen gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in staat.’

Maar de mannen die mét hem waren uitgezonden, zeiden: ‘Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is té sterk voor ons.’

Zij verspreidden onder de Israëlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden.

Zij zeiden:’Het land dat wij doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt,

en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig groot.’

 

Reflectie

Bij terugkomst zijn de meningen over het land en zijn bewoners verdeeld. Van de twaalf zijn er 10 die het land wel prachtig vinden, maar oh jee, wat een rare mensen leven er. Ze zien er niet uit, hebben hoge muren opgetrokken om hun steden, en zij worden verslonden. ‘Nooit naar toe gaan’ is hun devies: het volk is er te sterk voor ons. En de tien verkenners die negatief zijn verkopen ook nog eens roddelpraat!

Maar dan zijn er nog twee andere verkenners. Zij zijn een heel andere mening toegedaan: ‘wij kunnen best optrekken, wij zijn er toe in staat’, zeggen zij.

‘Het verhaal achter het verhaal’, zou Ter Linden zeggen, biedt ons een blik op de levenservaring van generaties vóór ons. 

In het beeld van de twee verkenners wordt ons duidelijk gemaakt dat mensen in staat zijn om het onbekende in het leven te omarmen. Niet makkelijk, maar het kán. Van de twaalf zijn er twee die zeggen dat het kan. De verhalen van Israël zijn namelijk menselijk, ze lijden niet aan zelfoverschatting: 2 verkenners zien het zitten! Het zijn er twee die de strijd met het onbekende en met zichzelf aangaan. Zij hebben verkend en in kaart gebracht wat er te doen staat en wat de mogelijkheden zijn. Zij erkennen het vreemde, maar laten zich door dit vreemde, onbekende niet uit het veld slaan. Angst en onmogelijkheden zijn niet hun raadgever, maar zij richten zich op mogelijkheden! Veroveren, zegt de tekst. Veroveren niet in de zin van land innemen van een ander. In bijbelse zin is land namelijk niemands bezit. ‘Van God is de aarde’, zingen psalmen. Maar het beeld van land heeft betrekking op leven en levensruimte. Mensen kunnen levensruimte veroveren door de beren op de weg, de reusachtige bergen waar we tegenop kunnen zien, als gegeven te aanvaarden en nieuwe mogelijkheden onderzoeken. De twee positieve verkenners sluiten hun ogen niet voor wat zij hebben gezien, maar brengen mogelijkheden in kaart ipv onmogelijkheden!

 
 

Reflectie

Eén van de mooiste beelden uit het verhaal, dat betrekking heeft op mogelijkheden, blijkt de gigantische druiventros die de twee positieve verkenners meedragen. Er spreekt vruchtbaarheid uit op een bijzondere manier. Het onbekende land blijkt zo vruchtbaar, de mogelijkheden zijn er zo legio aanwezig, maar alleen waar men samen gaat kan deze vruchtbaarheid aan het licht komen. De vruchtbaarheid blijkt namelijk te veel en te zwaar om in je eentje te kunnen dragen.

Uit het beeld van deze giga druiventros die samen wordt gedragen spreekt hoe vertrouwen in het leven gevonden kan worden. De mannen dragen samen: daar waar men samen op pad gaat komt het goede in zicht. De vruchtbaarheid en de mogelijkheden in het onbekende land zijn zo groot, dat alleen waar men samen gaat, waar men samen draagt, deze vruchtbaarheid en mogelijkheden aan het licht kunnen komen.

Spreekt hier niet het beeld mee van de mens geschapen, twee aan twee. Spreekt hier niet de wijsheid van Israël dat het goede, het licht en het rechtvaardige in het leven gevonden kunnen worden waar men  samen leeft in een open communicatie met elkaar en met de dingen die gebeuren? De zoektocht naar het goede en naar licht, naar levensruimte, biedt perspectieven indien deze zoektocht samen gegaan wordt. Communicerend en elkaar bevragend, belangstellend en open! Roddelpraat staat haaks op deze intentie. Roddelpraat, niet communiceren, angst en negativiteit, zij bieden geen zicht op levensruimte.

 

Jozua en Kaleb zijn de twee die de open levenshouding dragen in de vorm van een gigantische druiventros. Het goede dat wij God noemen is onnoemelijk, overdadig groot aanwezig, maar kan pas zichtbaar worden daar waar men samen leeft. Daar ontstaat land, daar is levensruimte.

 
 

Bijbeltekst

Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en het volk bleef heel de nacht jammeren. Alle Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron en heel de gemeenschap zei tegen hen: ‘Waren wij maar in Egypte gestorven of anders hier in de woestijn! Waren wij maar dood!

De Heer leidt ons naar dat land waar we door het zwaard zullen vallen, terwijl onze vrouwen en kleine kinderen buitgemaakt worden. Is het niet beter om naar Egypte terug te gaan?’ En zij zeiden tegen elkaar: ‘Laten wij een nieuwe aanvoerder kiezen en naar Egypte teruggaan.’

Toen wierpen Mozes en Aäron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van de Israëlieten ter aarde. Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren en zeiden tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: ‘Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land.

Als de Heer behagen in ons heeft, zal Hij ons dat land binnenvoeren en dat land dat overvloeit van melk en honing aan ons geven.

Kom dus niet in opstand tegen de Heer en wees ook niet bang voor de bevolking van dat land, want zij zijn een gemakkelijke prooi voor ons. Van hen is de beschermende schaduw geweken, maar bij ons is de Heer. U hoeft niet bang te zijn voor hen!’

Toen de hele gemeenschap hen wilde stenigen verscheen de heerlijkheid van de Heer voor alle Israëlieten boven de tent van samenkomst. En de Heer zei tegen Mozes: ‘Dit volk blijft Mij maar versmaden! Zij geloven nog steeds niet in Mij, ondanks al de wondertekenen die Ik bij hen verricht heb! Ik zal het slaan met de pest en het uitroeien en van u zal Ik een volk maken dat groter en machtiger is dan dit.’

 

Reflectie

De gemeenschap begint te mopperen, niets menselijks is Israël vreemd. Angst en wantrouwen voeren de boventoon. Houden wat je hebt, hoe slecht en moeilijk ook, blijkt beter of makkelijker dan te vertrouwen en het nieuwe, onbekende te omarmen.

Het levenspad van mensen is niet bij voorbaat glad geëffend. Maar angst en wantrouwen bieden geen weg ten leven, bieden geen uitzicht op goed leven met ruimte voor de dingen die gebeuren.

Jozua en Kaleb scheuren hun kleren. In het oude Israël is dit een teken van rouw. Het bijbelse beeld van dood, van niet leven, waart onder de mensen. De roep om te leven als mensen van belofte wordt niet langer verstaan. Aan de opdracht om heilzame verhoudingen voort te brengen wordt niet langer gehoor gegeven. De verslavende natuurgoden bieden op het eerste gezicht een makkelijker weg. Maar de nieuw ervaren God, de macht van het goede,  is van een heel andere orde.Dit goede dat wij God noemen kiest geen partij, maar is verbonden met mensen die er naar zoeken. 

Níet zoeken in vertrouwen op het Goede dat een mens omringt, is in bijbelse zin dodelijk, is zonder levensruimte. In de tekst wordt zelfs gesproken met het beeld van een dodelijke pest die mensen uitroeit.

 

Bijbeltekst

Maar Mozes zei tegen de Heer: ‘De Egyptenaren weten dat U dit volk door uw kracht uit hun land hebt geleid; bovendien hebben alle bewoners van dit land hier gehoord dat U, de Heer, bij dit volk woont, dat U, de Heer, aan hen verschijnt; dat uw wolk boven hen staat, dat U voor hen uitgaat overdag in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurzuil. Wanneer U nu dit volk als één man doodt, dan zeggen de volken die van uw faam gehoord hebben:“De Heer was niet bij machte dit volk in het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft hij hen in de woestijn omgebracht.” Laat nu de grote macht van mijn Heer zich tonen. U hebt immers gezegd: “De Heer is lankmoedig, rijk aan erbarmen, misdaad en zonde vergeeft Hij: al laat Hij niets ongestraft: de misdaad van de vader wreekt zich op zijn kinderen, tot de derde en vierde generatie.”

Vergeef toch de schuld van dit volk in uw grote barmhartigheid, zoals U het steeds vergiffenis geschonken hebt, van Egypte af tot hiertoe.’

Toen zei de Heer: ‘Ik schenk vergiffenis zoals u vraagt. Maar zowaar ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van de Heer:

geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij wel tienmaal getart hebben door niet naar mij te luisteren,

geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand van degenen die mij versmaad hebben, zal het zien.

Maar mijn dienaar Kaleb, die van een andere geest was bezield, is Mij in alles trouw gebleven. Daarom zal ik hem in het land brengen waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten.

U zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

Maar uw kleine kinderen, van wie u gezegd hebt dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat u versmaad hebt.´

 

Reflectie

Het blijft een menselijk verhaal. Daar waar de natuurgoden ten tijde van ontstaan van deze verhalen, almachtig en onverbiddelijk zijn, spreekt Israël over een heel andere macht. Het is de macht van goedheid die menselijkerwijs gevonden kan worden. Deze macht is niet onverbiddelijk of één twee drie aanwezig. Deze macht wordt al overwegend en schouwend gevonden. In het gesprek tussen Mozes en God krijgt deze God gezicht. Mozes bidt zouden wij zeggen. Al biddend wordt duidelijk hoe deze God voor mensen kracht betekent. Het blijkt een kracht onder mensen die bij voortduring, al overwegend, uitnodigend is om opnieuw te beginnen. Maar wie het wil houden bij het oude, bij wie angst en wantrouwen de leidraad blijven, en voor hen die geen nieuwe onbekende fenomenen in het leven kunnen toe laten, zij lopen de kans deze vervorming van menselijkheid door te geven tot wellicht het derde of vierde geslacht. ‘Gij zult het land niet binnen gaan’, staat er. In bijbelse beeldtaal wordt gezegd: niet dat deze God een straffende God betekent, maar degene die zich niet verbindt in een zoektocht mét de ander naar het Goede, zal het tegenovergestelde ervaren: er zal gebrek zijn aan levensruimte en geluk. Het land van belofte blijkt geen fysiek land te zijn wat veroverd moet worden op tegenstanders. Het land van belofte komt aan het licht waar mensen de strijd aangaan met zichzelf, met de mensen die je levenspad kruisen en met al datgene wat op je weg komt. Omarm het onbekende, en tors tezamen de druiventros! Opdat  Lichtadem kan open breken en als levensadem  in mensen zal oplichten

 
Bijbeltekst

En de mannen die Mozes had uitgezonden om het land te verkennen en die na hun terugkeer heel de gemeenschap tegen hem tot morren hadden aangezet door allerlei praatjes over het land te verspreiden, die verspreiders van allerlei boze praatjes, stierven door het ingrijpen van de Heer een plotselinge dood.

Van de mannen die uitgezonden waren om het land te verkennen, bleven alleen Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, in leven.

 

Reflectie

Jozua krijgt naam: hij die redt. Niet voor niets heeft ook Jezus deze naam: uit het zelfde Israël-hout gesneden. Jozua heeft naam gemaakt evenals Kaleb, de anderen zijn naamloos ten onder gegaan. Kwaadspreken, niet communiceren is geen lang leven beschoren, redt niet, biedt geen land en levensruimte! In bijbelse verbeeldende zin heeft dit de dood -als niet leven- tot gevolg. Er is hier geen sprake van een straffende heersende Heer, een God vergelijkbaar met het onverbiddelijk ingrijpen van de natuurgoden. De macht van goedheid en licht, de macht van deze “Heer” onder mensen, door Israël ervaren en doorgegeven, heerst onder aanhalingstekens, door een levenshouding van mensen.

Kleine kinderen worden binnen gevoerd in het land, vertelt het verhaal. Kinderen als beeld van de kwetsbare houding, een open houding, een leergierige houding. Het kind als het beeld van degene die aan de hand van de ander wil gaan. Kinderen, zij zullen het land betreden.

Thérèse Beemster

 

 
< Vorige   Volgende >
© 2010 Tso'ar - inspiratie en inzet
Ontwerp: Repro- van de Kamp